← Table of contents
Vertellingen van vroeger en later tijd

Note 2 — Plat Amsterdamsch.

Reading edition

Koite, kuiten. Het Scandinavisch heeft van dit woord twee vormen, eenen met k, en een anderen met g voorop. Kyta en gytn, of gota, in den zin van den eijerstreng der wijfjesvisschen, piscicum ovarium, terwijl het Scand. zegt at gióta, gyt, praet. gaut, voor het ter wereld brengen der jongen van vogels en visschen. De oude Nederl. vorm was kijte en kiete, zie H. Junius Nomenclator, 73, en Kil. Eng. cut, Fris. kunta, pudendum muliebre. Grimm (Gram. II. 19.) brengt dit tot Goth. giuntan, ons gieten, in den zin van het Latijnsche fundere telen. Ags. geotan praet. geat, pl. guton, fuderunt. Vandaar met eene u gudsen, gutsen, geweldig vloeien, Vlaamsch gusselen, fundere. Landfr. guusje, guwsje, (vloeien) weenden. Deze vorm heeft ook het Zeeuwsche guus in den zin van kroost aangenomen; de guus is zoowel het kind als de kinderen. Gieten wordt hier dus toegepast zoowel op het kroost van menschen als van vogelen en visschen, evenals kind bij de Scandinaviers zoowel een dier als een kind, dus ieder schepsel beteekent. In al deze woorden heerscht dezelfde ellypsis; het Friesche barn, bern, van bera, ferre uterum, baren is voluit2 moeder-baren (moederschepsel) zooals het bij de oude Nederlanders luidde. Oud Sax. kind proles, samengetrokken uit kinned (Ags. cennan, parere, cenned, productus), beteekent bij de Scand. een mensch, wanneer het met man samengesteld, mankind (mensch-schepsel) luidt, en gelijk kinned zoo wel het geteelde als den geteelde aanduidt zoo is mankind den Engelschen het menschdom. Kind luidde bij ons in deftigen stijl nog voluit menschen-kind, om een mensch-schepsel, dat is, mensch aan te duiden. Vergelijk Huydecoper op M. Stoke. I. 243. Andreae Lex. 144, en het Glossarium Saxonicum op den Heliand door den voortreffelijken Schmeller op kind.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings