Note 1 — Drie jongens bij ’t Beleg van Leiden.
Reading edition
„Dat zul je mij betaald zetten,” zeide hij: „waar bemoeit gij je mee?” En meteen hief hij zijn arm op en bracht Schaeck een slag toe, die hem zou nedergeveld hebben, doch die nu, daar de andere even bukte, alleen het gevolg had, dat die hem de muts van den kop deed vliegen; hij ontving echter van dezen een stomp terug die ook niet mis was, en nu gingen zij voort met elkander stompen en slagen toe te dienen. De vreemde knaap had, als ik zooeven zeide, het voordeel van meer geoefend te zijn, doch hij was reeds wat vermoeid door zijn vorig gevecht, terwijl Schaeck nog frisch en krachtvol was: ’t geen de kans meer eenigszins gelijk maakte. De omstanders, verre van een poging aan te wenden om hen te scheiden, vermaakten zich met den strijd te aanschouwen, en moedigden zelfs de beide kampvechters aan: „Braaf zoo, Leeuwtje!” riepen de soldaten: „geef hem van de korteletten!”1—„Pas er op!” schreeuwden de Leidenaars, „laat u door dien Waal niet overbluffen!” en zoo vochten zij voort alsof een van beiden er bij moest neervallen.