Note 1 — II. IN DEN KRATON VAN KEDIRI.
Reading edition
„Zijn rijk raakt den voet der Willisbergen en ontmoet de zee die Java scheidt van Bali, de Ardjoeno en de Smeroe heffen te midden van zijn grond hun kruinen op naar de wolken; tot aan de grens van het Soerabayasche landschap bezit hij onderdanen; in het gebied van de Ratoe Kidoel1 deelt hij met haar den scepter. Niets weerstaat de kracht zijner wapens. De oude koning van Balembangan gaf zijn kinderen aan de zijne ten huwelijk en diens zoon erkent hem als zijn leenheer. Geen soldaten van bruinen bloede zijn opgewassen tegen zijn welgeoefende legers. De Hollanders alleen zijn waardig hem te weerstaan. Hij is dapper en streng maar strikt rechtvaardig; zijn krijgers vreezen den blik zijner oogen, maar in hun harten hebben zij hem innig lief; zij weten dat alles wat hij onderneemt hem gelukt, dat hij onkwetsbaar schijnt in den strijd, dat zijn wil een wet is, maar ook dat hij slechts wil wat goed en verstandig blijkt. Zij vertrouwen op hem en het geheele volk bouwt op zijn vorst als op een steenen rots; zij gehoorzamen al zijn bevelen, zij aanbidden den indruk van zijn voeten, daar zij een hooger wezen in hem zien. Ginds in het Oosten aan den voet van den Bromo vereeren zij hem als den afgezant van Batoro Goeroe, den leermeester des volks, als een nieuwe verschijning in menschengedaante van Shiwa hun oppergod, wiens heiligdommen hij herstelde, wiens eeredienst hij deed herleven.”