Note 1 — II. IN DE KAPATYAN.
Reading edition
Zij was nu rijk en sierlijk gekleed, haar kondé1 schitterde van diamanten, in haar ooren vonkelden de kraboes uit steenen bestaande van het zuiverste water, haar donkerblauwe sikepan was met zilver doorstikt, en viel over een fijn zijden kaïn, waarvan de weeke, zachte plooien de grillige figuren onderbraken, die het gouddraad er op stikte; nu zij weer in de omgeving verkeerde die haar paste en die zij liefhad was de prinses nog veel schooner dan in de wouden van den Preanger, een gevoel van geluk en vreugde schitterde in haar oogen, zij zou nu immers weldra het toppunt harer wenschen vervuld zien.