← Table of contents
Van Slaaf tot Vorst

Note 1 — I. IN HET DAL VAN TJI-KENDOEL.

Reading edition

Een gesloten geel wambuis omsluit de welgevormde krachtige gestalte van den jongste; hij is groot voor een inlander en kloek gebouwd; een kleurige hoofddoek bedekt als een tulband zijn korte lokken, daaronder komen zijn koen geteekende trekken, zijn donkere, diepliggende oogen, zijn vastberadenheid teekenende, zwaar geknevelde lippen scherp uit; een korte sarong valt af tot over zijn knieën; een Europeesche buks hangt in een bandelier van zijn schouders, om het middel draagt hij echter den draagband, waaraan de schede der Javaansche kris hangt. De kris zelf houdt hij in zijn hand en slaat daarmede de takken en slingers weg, die hem het pad konden versperren. De fakkel wordt door zijn gezel gedragen, een man, die wellicht in Europa nog slechts even den middelbaren leeftijd kon hebben overschreden, hier echter reeds bijna voor grijsaard moest doorgaan. Hij is kleiner dan zijn kameraad, zijn kleine, sluwe oogen knippen telkens toe, zijn slappe trekken hebben het leelijke type aan oude Javanen eigen, zijn lippen zijn gebarsten en gespleten door het gebruik van sirih en gambir1; zijn neus is plat en zijn wangbeenderen steken ver uit; over zijn javaansche kleeding draagt hij een opengeslagen lang jak, de kabaya, maar in vlugheid en behendigheid geeft hij zijn veel jeugdiger makker niets toe; in zijn rechterhand houdt hij een lans.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings