Note 17 — Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.
Reading edition
30 September, 1660. ’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde, werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.