Note 3 — Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.
Reading edition
24 April, Ao 1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.