Note 16 — Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.
Reading edition
Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang van ha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.” ↑