Note 4 — Die Heldemoed van Jochem Willemszoon.
Reading edition
Hy trok al zyn kleederen, op een blaauw hemd en een blaauwe laakenze hemdrok na, uit, swom met die loodlyn om zyn lyf door die hemelhooge branding, onder welke hy menigmaal nederdook, heenen en quam, na veel gevaar, eindelyk aan ’t schip Hoogergeest, dat nu geheel op de zyde en vol zand en water geslagen was, alzo die gruwelyke zee ’er geduurig met afgrysselyk geweld en geklots op aanrolde, terwyl het volk, dat die bergen van zeên aankomen, en in de hut op een gepropt, alle oogenblik onder een naar gejammer en geklag, waar van de bergen weergalmden, de dood te gemoet zag; maar zoo haast de derdewaak4, N. Swaar, dien dapperen Jochem met zoo veel moed door die verschrikkelyke baaren als een zeeleeuw heenen worstelen, en by hun schip, dus tot hunne redding opborlen, zag, vloog hy, die gereet stont om anders in zee te springen, met de traanen in de oogen zynen beschermengel om den hals, en riep van blydschap als opgenomen, tot zyn andere ter dood daar beklemt zittende medebroeders: „Mannen, gryp moed, God dank, nu zyn wy behouden.”