Note 4 — Uit den Franschen tijd. (continued 3)
Eliza Laurillard translation
Wat nu? In die richting voortgaan? Dat zou eene ware ganzenjacht geworden zijn. Uit het dorp was de kerel toch gegaan; waar was hij gebleven? De schout krabde zijn hoofd; Frederik keek overal rond, bezag de gelegenheid en zeide eindelijk: “Schout, verder kunnen wij niet gaan, hier houdt het spoor op; wij willen dus de zaak overleggen; maar ’t blaast hier drommelsch koud over ’t open veld; laten we daarachter den bakoven4 gaan zitten.”—Nu, zij doen dat. “Wat ben ik toch een dwaas,” zegt de schout, “om hier in zoo’n weêr en over zoo’n weg een Fransoos achterna te loopen!”—“Schoonvader, laat den Fransoos maar rusten,” zegt Frederik, “hem krijgen we toch nog.”—“Begint ge alweêr met je “schoonvader”, jij, pruisische gauwdief?”—“Schout, wat ge niet zijt, kunt ge nog worden. Ik heb menschen genoeg gekend, die hebben voor dien naam hunne dochters en daarbij nog veel geld gegeven.”—“Dan hebben ze daarvoor ook andere schoonzoons gekregen, dan gij zijt.”—“Kijk me eens goed aan, schout,” zegt Frederik, en hij gaat voor den schout recht overeind staan; “een avekaat ben ik niet en een dokter ook niet; maar ik heb gezonde kneukels, en kijk mijne handen eens, die kunnen van werken meêpraten. En zoo gij uwe eigene oogen niet vertrouwt, dan kunt ge ’t immers aan mijn baas, den molenaar, vragen.”—“Ei, weet je, wat die zegt? Die zegt, dat je wel een flinke kerel bent en dat je wel wat durft aan te pakken; maar dat je uitdrukkingen over je hebt, dwaze uitdrukkingen, waar geen hond om achter den oven vandaan zou komen.” “’k Zal u straks bewijzen, dat dit onjuist gezien is. Maar nu, zeg eens schout, wilt ge mij uw Fieken geven?”—“Wat drommel!” zegt de schout, “ik dacht eerst dat het eene grap moest verbeelden, en nu geloof ik, jou rakker, dat je hier ernst van wilt maken.”—“Schout,” zegt Frederik, “met de hofsteê en dat gij uwe rust moest nemen, dat was gekheid; want uw Frits moet de hofsteê hebben, en gij zijt ook zoo oud nog niet; maar, met uw Fieken, dat is ernst, en eene hofsteê zal ’k gemakkelijk krijgen.”—“Jou snoever,” zegt de schout. “Kijk, dat is weêr zoo’n spreekmanier, zooals ik gezegd heb, waarmeê je geen hond achter den oven vandaan krijgt.” “Dat wil ik u toonen!” roept Frederik.—“Pocher!” zegt de schout, terwijl hij opstaat. “Ik ga naar huis, en ga jij aan ’t honden lokken, of vang jij den Fransoos.” “Dien heb ik,” zegt Frederik.—“Praalhans!” roept de schout.—“Schout,” zegt Frederik, “wanneer in drie minuten de Fransoos voor u staat, en ik met mijn spreekwijzen een hond uit den oven lok, wilt gij mij dan uw Fieken geven?” En hij hield hem zijne hand tegen, “sla dan toe!”—“Jou, leugenaar!” roept de schout, “alleen, om ’t je met een’ langen neus te bewijzen, dat je een praalhans bent.—Ja!” en hij slaat toe.