Note 3 — Hoe ik aan eene vrouw kwam.
Eliza Laurillard translation
Na de bruiloft ging het dan nu ook alles in liefde en vrede; maar dat duurde slechts korten tijd. Toen werd er in het dorp gemompeld: “Jongens, hebt ge ’t al gehoord? De molenaarsvrouw slaat haren man.”—En dat was ook zoo.—Eens op een zondag-namiddag kwam de molenaar bij den smid, die in de herberg zat en solo speelde, en de molenaar zei: “Nu, wat je van avond zal overkomen, dat weet ik al.”—“Hoe zoo?” vraagt de smid en staat op en gaat met zijn zwager naar buiten.—“Och kom,” zegt de molenaar, “hou je maar niet zoo onnoozel! We zijn er beiden mooi ingeloopen.”—“Als gij mijne vrouw bedoelt,” zegt de smid, “dan moet ik je zeggen, ik heb een goeden huurder.”—“Ja,” zegt de molenaar, “als ze niet te huis is.”—“Ga met mij mede!” zegt de smid. “Ik heb gisteren een varken geslacht en gij weet, dat mijn vrouw veel van “swartsur”3 houdt.—Ik zal het bewijs leveren.” Zij gaan daarop naar de woning van den smid, en toen zij daarvóór staan, roept de smid! “Fieken!”—Zijne vrouw kijkt uit het venster en vraagt: “Wat wilt ge van mij?”—“Fieken!” zegt de smid, “neem eens den grooten schotel met “swartsur” en smijt dien het raam uit, hier op straat.”—“Wat?” vroeg zijne vrouw. “Smijt den schotel met “swartsur” op de straat neêr.”—“Dadelijk!” zegt Fieken, en in een ommezien vliegt de schotel de deur uit, juist zóó als dezen morgen de bontwerker. “Goed zoo!” zegt de smid Wolf. “En nu, Fieken, smijt nu ook den pot met het andere “swartsur” er uit.—Dat gebeurde nu ook, en de smid zegt: “Mooi, Fieken! en laat je den tijd niet lang vallen, als ik van avond wat laat te huis kom.”