Note 1 — Hoe ik aan eene vrouw kwam.
Eliza Laurillard translation
Maar bij iederen degelijken honigkoek behoort een weinig peper, en daaraan zou het mij nu en dan ook niet ontbreken. Eerst strooide mijn oom Matthijs af en aan eenige korreltjes er bij; doch toen hij zag, dat de zaak stand hield, en toen hij zelf bij de familie mijner aanstaande bruid op visite geweest was, en zich bij die gelegenheid tot zijne tevredenheid van het vischkoken overtuigd had, spaarde hij zijne specerijen en greep diep in zijn’ honigpot—te diep! zeg ik—want nu schilderde hij aan alle menschen, die hem wilden aanhooren, mijn geluk zoo zoet af, dat in mijn honigkorf weldra eene menigte vliegen gonsden, zoodat ik mij niet wist te bergen, en er spoedig zoo vele kluchten van mij verteld werden, als ware ik alleen ten genoegen van iedereen niet slechts een Brüjam, maar ook een Brüdjam geworden1. Ik werd geplaagd, waar ik mij liet zien. Op vijf pas grijnsde mij iedere kwast op straat na, en als ik dan vroeg, wat dat grijnzen te beduiden had, dan zeiden zij allen, alsof zij het afgesproken hadden: “O, niets, niemendal!”—Wanneer ik nu en dan ’s avonds in mijne oude damclub kwam,—want dit had ik mij dadelijk voorgenomen, dat ik onder geenerlei omstandigheden dit gezelschap er aan geven wilde, vooreerst, omdat het zeer met mijne neiging overeenstemde; en ten tweede, omdat ik het voor mijne vorming zeer voordeelig achtte;—nu, wanneer ik er dus eens heenging, was het me daar een gefluister en gesis, en dan stieten ze elkander aan; de een maakte heel bedekt fijne, en de ander heel onbewimpeld grove zinspelingen, en zij vertelden elkander allerlei geschiedenissen, wat deze vóór de bruiloft gezegd, en wat gene na de bruiloft gezegd had, en wat de herder tot zijn hond gezegd had; en als ik er mij dan boos over maakte, en vroeg, wat zij daarmede bedoelden, en of dat hekelen op mij zag, dan zeiden zij allen: “De hemel beware ons! We meenen dat maar zoo.”—En wanneer ik nu ’s avonds deswege niet naar de damclub ging, dan begon vrouw Bütow, die wauwelaarster, en strooide mij steeds heel kleine, fijne snuifjes in den neus en in de oogen: of dat zóó moest? of dat het zóó moest? Zij wist immers niet, hoe ik dat nu hebben wilde. En zij was eene oude vrouw en had in haar leven al bij veel heeren gediend, maar nog bij geen, die op het punt van trouwen stond; ik moest daarom geduld met haar hebben, want de zaak werd nu immers toch spoedig anders. En wat het schoonmaken aanging, daarin gaf zij mij volkomen gelijk, dat was voor mijne aanstaande bruid niet goed genoeg, want zooals zij gehoord had, was die als eene prinses opgevoed en had in haar leven geen vinger in koud water gestoken; maar haar oogen waren al te oud voor ieder vlokje stof. En als de juffrouw mij eerstdaags bezoeken wilde, kon zij dat immers doen; zij voor haar persoon had daar hoegenaamd niets tegen, en over het spinrag aan de zoldering en het stof op de commode zou zij immers niet vallen, en over den kleinen afzonderlijken hoop vuil, dien zij gemakshalve in den eenen hoek van mijne kamer had verzameld, zou zij zich juist ook de beenen niet breken. En als ik ’s avonds vuur wilde hebben, dan moest ik dat maar zeggen,—zij kon dat toch immers niet weten,—ik was immers altijd naar de damkroeg gegaan, waarom dan nu ook niet? En daarop ging zij vóór de opening van de kachel zitten blazen, en de kolen gloeiden tegen hare dikke bolle wangen, zoodat ik haar niet kon aanzien, of ik moest steeds denken: “’t Is zonde! ik weet zeer goed, dat dit mijne vrouw Bütow is, eene christelijke weversweduwe; waarom moet ik dan bij haar altijd aan de hooge personages denken, die diep, zeer diep beneden ons wonen op een plek, waar het zeer heet moet zijn? En waarom valt mij bij haar blazen altijd in, dat mogelijker wijze op die plek ook iemand zit, die kolen aanblaast, om mijn schoon huwelijksgeluk een weinigje op te stoken!”