← Table of contents
Studiën in Nederlandsche Namenkunde

Note 2 — V FRIESCHE NAMEN.

Reading edition

Oudtijds, toen de Friesche taal in hare eigenheden, in hare eigene klanken en eigene vormen, en in de eigene plaats die zij inneemt tusschen de talen der andere volken, weinig of ook in het geheel niet bekend was bij de geleerden buiten Friesland, en veel minder nog bij de ongeleerden, heeft men wel gemeend, en dit ook verkondigd, dat de bijzonderheden der Friesche namen slechts te verklaren waren door aan te nemen dat die namen van Hebreeuwschen, van Trojaanschen, van Griekschen of van Romeinschen oorsprong moesten wezen. Dit behoeft heden ten dage geene wederlegging meer. Maar dat de Friesche namen zuiver Germaansch zijn, en in hun oorspronkelijk wezen niet verschillen van de namen der andere Germaansche volken, dit is nog geenszins van algemeene, en nog geenszins van voldoende bekendheid. De waarheid echter dezer stelling blijkt ruimschoots, en wel in de eerste plaats uit die Friesche mans- en vrouwenvóórnamen, die nog hunne volledige, of anders slechts weinig ingekorte, slechts weinig versletene, oorspronkelijke vormen vertoonen; bij voorbeeld, de mansnamen Adger (voluit Aldgar), Adser, Aeldert, in Nederlandsche spelling Aaldert, oorspronkelijk voluit Adelhart2, enz. allen nog hedendaags gebruikelijke namen. Uit de oude en verouderde, hedendaags bij de Friezen reeds uitgestorvene namen blijkt dit eveneens; bij voorbeeld, uit Adelbald (in versleten vorm Albad, Albet), Adelbric, Adeldag, Adelric, Aldgrim3, enz. En niet minder uit de vrouwennamen, zoo hedendaagsche (Aeltsje, in Nederlandsche spelling Aaltje, de ingekorte en verkleinvorm van Aelheyt of Adelheid)—Aelmoed, in Nederlandsche spelling Aalmoed, oorspronkelijk voluit Adelmod,—Aerland, in Nederlandsche spelling Aarland4; als verouderde (Adelgarde, Adelburg, Adelharda)5, enz.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings