Note 5 — I SPOTNAMEN VAN STEDEN EN DORPEN.
Reading edition
Het is gebeurd in het jaar 1623, dat een schipper met eene lading hout uit Noorwegen kwam, en te Ezumazijl5 binnen liep. Die schipper had uit aardigheid eenige levende kreeften in eenen korf meegebracht voor zijnen reeder, die te Leeuwarden woonde. Dien korf met kreeften droeg hij ’s avonds, toen het al duister was, door de stad Dokkum, en toen kwam er, bij ongeluk een van die beesten uit de mand te vallen, juist voor de deur van zekeren vroedsman, Grada. Des anderen daags, ’s morgens vroeg, toen de dienstmaagd de straat zoude aanvegen, vond zij dat beest daar liggen. Zij liep verschrikt het huis weêr in, en riep: „Heere, Froedsman! Kom gau ’ris foor deur. Heere, wat leit daair ’n raair ding op ’e straaite?” Vroedsman, met eene roode kamerjapon aan, met de witte slaapmuts op het hoofd, en met afgezakte kousen, liep terstond naar buiten. Hij sloeg de handen van verbazing in één, en zei: „Dit is ’n mirakel! suud dat ok ’n jong weze van die roek, die hier boven in ’e lynneboom nestelt?” Het duurde niet lang of daar liep al spoedig een half honderd menschen bijéén, om het schepsel te beschouwen. Een catechiseermeester, die daar ook voorbij kwam, riep: „Minsken! minsken! sien it beest dochs niet an; want ik loof dat it de Basiliscus is, daar men fan in ’e Skrift leest; it kon jimme allegaar it leven koste.”—” ’t Mocht in skyt, meester!” zeide een turfdrager, die daar met zijn korf voorbij kwam, „ik hew him al goed in siin freet sien; ’t stomme beest sal ons niks doen, in die d’r in mingelen bier foor over het, dan sal ik him daaidlik met de tange in miin korf legge, in draaige him waair de frinden him hewwe wille.”—„Dat gaait an!” zei vroedsman. De tang werd gehaald, de kreeft in den korf gelegd, en toen ging de man eerst naar de brouwerij, om zijn kan bier op te drinken. Daar van daan recht uit naar den burgemeester, met een troep straatjongens achteraan. De turfdrager zette den korf in het voorhuis neêr, en vroedsman ging in de kamer bij burgemeester. Hij sprak den burgemeester met een erg bedrukt en verschrikt gezicht aan, en zei: „Goeie morgen, Burgemeister!”—„Goeden morgen, Froedsman! Jou hier soo froeg al over de floer, man?”—„Ja, Burgemeister! Wij hewwe hier ’n raair stuk, Burgemeister. Wij hewwe fan ’e morgén ’n levendig ding op straait fonnen, en gien minske weet wat ding of it is, of hoe it hiet, Burgemeister. Wij hewwe it metnomen, Burgemeister: it staait in ’t foorhuus, Burgemeister. Wil Burgemeister it ok ’ris sien, Burgemeister?”—„Fooral in believen, Froedsman!” zei die heer; „Jou wete, seldsaamheden bin ik altoos nieuwsgierig na.” De Burgemeester, die een eerste grappenmaker was, zag terstond wel dat het een kreeft was, maar hij hield zich nog dommer als de vroedsman eigenlijk was. Hij sloeg dan de handen samen en zei: „Froedsman! Froedsman! ik loof dat er ons slimme dingen over ’t hoofd hange! Soo’n ding staat in gien kronyk beschreven, in soo lang as de wereld staat is er soo’n ding in Dokkum niet vertoond. Het is een stuk van te feel belang. Daarom gefoel ik mij verplicht om nog heden morgen om tien uur den raad te beleggen, om dan te bepalen, wat of wij met dit monster sullen aanfangen.—Jou komme dochs ok, Froedsman?”—„Ja wis, Burgemeister!”