Note 15 — I SPOTNAMEN VAN STEDEN EN DORPEN. (continued 2)
Reading edition
De ingezetenen van Duinkerke worden in den Langhen Adieu en eveneens in dit oude lijstje Conyneters genoemd, en deze naam is voor lieden die midden in het duin, midden in die meest geliefde verblijfplaats der konijnen wonen, en die aan die ligging in de duinen zelfs den naam hunner stad ontleend hebben, zeker zeer eigenaardig en gepast. Ik zelf echter, eenige jaren geleden een en ander maal te Duinkerke vertoevende, en daar den luiden vragende naar hunnen spotnaam, en naar die van andere Fransch-Vlamingen, kreeg telkens ten antwoord: Keuneters van Duunkerke.15 Hieruit blijkt dat keun de Vlaamsche benaming is van konijn; en in der daad vinden we ook in De Bo’s Westvlaamsch Idioticon het woord keun voor konijn aangegeven. De ingezetenen van het dorp Heist op Zee, bij Brugge, en dat ook midden in het duin aan zee gelegen is (als Zandvoort), dragen heden ten dage almede den spotnaam van Keuns (Konijnen). Door onze taalgeleerden wordt ons hedendaagsch algemeen Nederlandsch woord konijn voorgesteld als afgeleid of herkomstig van het Latijnsche woord cuniculus. Het is toch opmerkelijk, ja, het komt mij zonderling voor, zelfs ongelooflijk, dat zulk een algemeen bekend inlandsch dier als het konijn is, dat bij duizendtallen in onze zeeduinen, en ook binnen ’s lands op heidevelden en in woeste, zandige streken leeft, niet eenen oorspronkelijk Nederlandschen, oorspronkelijk Dietschen, niet eenen echt Germaanschen naam zoude hebben. Is misschien dit Westvlaamsche keun de eigenlijke, de oorspronkelijk Dietsche naam van het konijn? En moet men ons hedendaagsch woord konijn dan als een oude verkleinvorm van keun (koon, kone) beschouwen? Heeft ons woord konijn dan misschien niets met het Latijnsche woord cuniculus te maken? En hebben dan, juist andersom, de Romeinen hun woord cuniculus misschien afgeleid van ons woord keun? Allemaal vragen, die ik niet beantwoorden kan, maar die den taalvorscher zeker belangstelling zullen inboezemen.