Note 2 — GENUA EN HARE OMSTREKEN.
Reading edition
De half-Fransch en half-Italiaansche Vetturino, die aangenomen had, ons met zijn ratelend rijtuig met twee paarden in drie dagen daarheen te brengen, was een zorgelooze knaap van een goed voorkomen, wiens luchthartigheid en zanglust geene grenzen kenden, zoolang wij zachtkens voortgingen. Zoolang dit het geval was, had hij een woord en een glimlach, en een klap met zijne zweep, voor al de boerenmeiden, en stukken en brokken van de Somnambula2 voor de echo over. Zoolang dit het geval was, trok hij rinkelend door elk dorpje, met bellen aan zijne paarden en ringen in zijne ooren: als een waar toonbeeld van galanterie en vroolijkheid. Maar het was iets zeer karakteristieks, hem te zien bij den minsten tegenspoed, toen wij op onzen tocht aan eene nauwe plaats kwamen, waar een wagen gebroken was en den weg versperde. Hij wroette dadelijk met de handen in zijne haren, als waren al de schrikkelijke rampspoeden des levens plotseling op zijn ongelukkig hoofd neergekomen. Hij vloekte in het Fransch, bad in het Italiaansch, liep op en neer en stampvoette in eene vlaag van wanhoop. Rondom den gebroken wagen stonden onderscheiden karrelieden en muilezeldrijvers; en eindelijk deed een man, van een zonderlingen aard, den voorslag, eene algemeene en gezamenlijke poging te doen om de zaken weer in orde te brengen en ruim baan te maken—een denkbeeld dat, naar mijn gevoelen nooit zou zijn opgekomen bij onzen vriend, al waren wij er tot op dit oogenblik gebleven. Het werd met weinig arbeid bewerkstelligd; maar bij elke rust in de karwei draaiden zijne handen zich in het haar, als ware er geen straal van hoop om zijne ellende te verlichten. Zoodra zat hij nochtans niet weer op den bok, en reed klappend en vroolijk den heuvel af, of hij keerde terug tot de Somnambula en de boerendeernen, als stond het niet in de macht des tegenspoeds hem neer te drukken.