Note 4 — DOOR FRANKRIJK.
Reading edition
Thans beknibbelt hij ze heel erg. Nog is hij des kasteleins broeder, maar van een ander vader, of eene andere moeder. Hij is niet meer zoo nauw met hem verwant als den vorigen avond. De kastelein krabt zich het hoofd. De goede koerier wijst op zekere figuren in de rekening, en geeft te verstaan, dat, zoo die er op blijven staan, het hotel de l’Écu d’Or van nu af en voor altijd een hotel de l’Écu de cuivre zal zijn4. De kastelein treedt een klein kantoortje binnen. De brave koerier volgt hem, stopt hem de rekening en eene pen in de hand, een spreekt veel rasser dan hij nog heeft gedaan. De kastelein vat de pen. De koerier glimlacht. De kastelein maakt er eene verandering in. De koerier slaat thans eene aardigheid uit. De kastelein is vriendelijk, maar niet meer zoo hartelijk als vroeger. Hij verdraagt het als een man. Hij schudt zijn braven broeder de hand, maar omhelst hem niet. Nog houdt hij van zijn broeder; want hij weet, dat hij, op den een of anderen goeden dag, wederom langs dezen weg met eene andere familie zal terugkeeren, en hij voorziet, dat diens hart zich weder over hem zal ontfermen. De brave koerier gaat eens om het rijtuig heen, bekijkt de strengen, schouwt de raderen, stijgt met een sprong op, geeft een teeken, en—daar gaan wij!