Note 3 — DOOR FRANKRIJK.
Reading edition
In de eerste twee dagen vertoont zich weinig meer dan ééne verscheidenheid in het voorkomen der streek. Van een akelige vlakte in eene eindelooze laan; en uit eene eindelooze laan wederom op eene nare vlakte. Er zijn eene menigte wijnstokken in het open veld, maar van eene kleine en gemeene soort, en niet in festoenen, maar om rechte staken gewonden. Overal zijn daar tallooze bedelaars; maar eene buitengewoon dungezaaide bevolking, en minder kinderen dan ik ooit heb ontmoet. Ik geloof niet, dat wij tusschen Parijs en Chalons honderd kinderen hebben gezien. Misselijke, oude steden met ophaalbruggen en muren; met wonderlijke torentjes op de hoeken, die er uitzien als snaaksche maskers; als had de muur een grijns voorgedaan en omlaag in de gracht starende. Andere vreemde torentjes, in tuinen en velden, en hellende lanen en op werven van hoeven, allen alleenstaande en altijd rond, met een spits dak, en nimmer tot eenig gebruik dienende; bouwvallige woningen van alle soort: somtijds een stadhuis, soms een wachthuis, soms een woonhuis, soms een kasteel met een verwilderden tuin, die vruchtbaar is in leeuwentand3, en bewaakt door torentjes met dompervormige kappen en pinkoogende venstertjes; dit zijn de vaste voorwerpen welke telkens herhaald worden. Soms komen wij eene dorpsherberg voorbij, met een daartoe behoorenden, afbrokkelenden muur, en eene volslagen stad van bijgebouwen, en op welker poort is geschilderd: „Stalling voor zestig paarden;” zooals er dan ook inderdaad stalling voor twintigmaal zestig zou zijn, als daar eenige paarden waren te stallen, of zich iemand daar zou ophouden, of als zich omtrent die plaats iets verroerde, behalve een slingerende krans, die zinspelende op den wijn daar binnen, in den wind heen en weer fladdert, en wat werkeloosheid betreft, een goed tegenhanger vormt met wat er rondom is; en gewis nooit een groenen ouderdom heeft, ofschoon hij althans zoo oud is, dat hij in stukken valt. Gedurende den geheelen dag komen er, al rammelend, vreemdsoortige, kleine, smalle wagentjes, in reeksen van zes of acht voorbij, die kaas uit Zwitserland aanvoeren, en waarvan de geheele rij vaak onder het bestuur is van een enkelen man, ja zelfs van een enkelen knaap die zeer dikwijls in de voorste kar ligt te slapen, terwijl de paarden de bellen op hunne tuigen slaperig doen rinkelen, en er uitzien alsof zij meenden (en ongetwijfeld is dit hun gevoelen) dat hunne groote, blauwe, wollige tuigen, van eene verbazende zwaarte en dikte, en voorzien van een paar potsierlijke horens, die uit de hamen opschieten, veel te warm zijn voor het weer in het hartje van den zomer.