Note 2 — DOOR FRANKRIJK.
Reading edition
Er was natuurlijk in het voorkomen van Parijs zeer weinig—daar wij in de nabijheid der akelige Morgue2 en over de Pont-Neuf rolden—dat ons verwijten deed om ons reizen op den Zondag. De wijnhuizen (om de andere woning) dreven een handel vol rumoer, aan de buitenzijde der koffiehuizen werden zeilen gespannen en stoelen en tafels gerangschikt, als voorbereidsels tot het eten van ijs en het gebruiken van verkoelende dranken, dat later op den dag plaats had; schoenpoetsers waren bezig op de bruggen; winkels waren geopend; karren en wagens rolden af en aan; de nauwe, oploopende en trechtervormige straten, aan de overzijde der rivier, waren zoo menige volgepropte perspectieven van gewoel en gedrang, gedeeltelijk gekleurde slaapmutsen, tabakspijpen, blauwe kielen, wijde laarzen en ruigharige koppen; op dat uur was er niets dat een rustdag verkondigde, behalve hier en daar het verschijnen van een gezin, dat een speeltochtje ging doen, gestopt in een lomp, oud, waggelend rijtuig, of van eenig bespiegelend rustdagvierder, in de meest vrije en gemakkelijke ochtendkleeding, die uit een laag zoldervenstertje leunde, wachtende, met een kalm genoegen, op het drogen van zijne pas gepoetste schoenen, staande op de kleine borstwering daar buiten (als ’t een heer was), of (was het een dame) op het drogen harer kousen in de zon.