← Table of contents
Schetsen uit Amerika en Tafereelen uit Italië

Note 1 — XVIII. SLOTOPMERKINGEN.

Reading edition

Een andere in ’t oogloopende trek in ’t Amerikaansche volkskarakter is de zucht om in zijn handel en wandel „bij de hand” te zijn,—een eigenschap, die menige zwendelarij en verregaande kwade trouw, menige openbare en particuliere knoeierij verguldt, en menigen schurk, die een strop driedubbel verdient, in staat stelt om met zijn hoofd in zijn nek den besten onder de oogen te zien—alhoewel datzelfde „bij de hand zijn” in een tijdsverloop van slechts weinig jaren meer gedaan heeft om het openbaar krediet te benadeelen en de openbare hulpbronnen te verstoppen, dan domme eerlijkheid, onbezonnen als die soms te werk gaat, in een eeuw kon gedaan hebben. De „verdiensten” van een mislukte speculatie, of bankroet, of fortuinlijken gauwdief worden dan ook niet beoordeeld naar den maatstaf van den gulden regel; „Doe, zooals ge wilt dat men tegenover u doe,” och neen, maar naarmate er, met betrekking tot de zaak of den persoon, van meer of minder „bij de hand zijn” sprake is. Zoo herinner ik me, dat ik, beide keeren toen ik dat slecht ter naam staande Caïro bij den Mississippi passeerde, eenige opmerkingen maakte over de nadeelige gevolgen, die zulke op groote schaal gedreven bedriegerijen teweeg moesten brengen als ze aan ’t daglicht kwamen. „Komen zulke knoeierijen uit,” in dier voege redeneerde ik onder anderen, „dan spreekt het vanzelf, dat men buitenlands over ’t algemeen wantrouwen krijgt en huiverig wordt om met u handel te drijven.” Hierop trachtte men mij aan ’t verstand te brengen, dat men met dat al aardig geld wist te verdienen en het alleraardigste van dat „bij de hand zijn” nog dit was, dat men al die aardige dingetjes in ’t buitenland heel gauw vergat en weer aan ’t speculeeren ging alsof er niets gebeurd was. De volgende samenspraak heb ik wel honderdmaal gehouden: „Is ’t niet erg te bejammeren, dat zoo’n man als N. N. op zoo’n verfoeielijk gemeene manier aan zooveel geld komt, en ondanks al de misdaden waar hij zich aan schuldig heeft gemaakt, door uw burgers zelfs geholpen wordt? Is zoo iemand eigenlijk geen lastpost en schandvlek in de maatschappij?”—„Ja, m’nheer.”—Een overtuigd leugenaar?”—„Ja, m’nheer.”—„Hij is geschopt, heeft klappen om zijn ooren gekregen, en is op rottingsmeer getrakteerd, niet waar?”—„Ja, m’nheer.”—„En hij is in den hoogsten graad wat men, plat doch duidelijk uitgedrukt, onder een uitgekotsten ploert verstaat?”—„Ja, m’nheer.”—„Maar waar steekt dan toch in vredesnaam zijn verdienste in?”—„Wel, m’nheer, ’t is een man die bij de hand1 is.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings