Note 8 — INLEIDING TOT DE SAGE VAN EREC EN ENIDE.
Reading edition
Zooals reeds eerder vermeld werd, is “Erec” het eerste gedicht van Chrétien de Troies, dat voor ons in handschriften bewaard is gebleven. Het aantal dezer handschriften is zeven. Over den tijd van ontstaan is in het gedicht geenerlei aanwijzing te vinden, zelfs ontbreekt elke toespeling op tijdgenooten of gelijktijdige gebeurtenissen. Wij kunnen dus de plaats, welke “Erec” inneemt onder de dichtwerken van Chrétien, slechts vaststellen aan de hand van toespelingen daarop, voorkomende in zijne andere gedichten. Deze toespelingen zijn echter zóó duidelijk, dat er over dit punt geenerlei twijfel bestaat en wij “Erec” zonder aarzelen kunnen rangschikken tusschen den verloren geganen “Tristan” en “Cligés”. Dat het dichtwerk bij de tijdgenooten van den schrijver in den smaak is gevallen, staat vast; als bewijs daarvoor dienen de vele navolgingen van en toespelingen op de sage, welke wij in andere werken van dien tijd aantreffen. De naam van den held komt voor in verscheidene Arthurromans, zooals in: “Durmart”, “Fergus”, “Desconnus”, “Claris” etc. In andere ridderverhalen vinden wij zelfs geheele episodes uit onzen roman opgenomen, zoo komt het verhaal van den dwerg met zijne zweep voor in “Fergus”, “Meraugis”, “Meriaduc” en andere, de jacht op het witte hert wordt genoemd in “Fergus” en in “Raguidel”, de sperwer-episode in “Meraugis”, “Desconnus” en “Durmart”. Het avontuur van de Vreugde van het Hof8 vinden wij op plompe wijze nagebootst in “Meraugis” en in “Rigomer”.