Note 1 — HOOFDSTUK XXXV.
Gerard Keller translation
»Gij zijt een goedaardig, braaf en welmeenend jongmensch,” zeide hij, »en weet zeker wel, wat men den begrippen van een man van eer verschuldigd is. Maar de heide, die mijn voet betreden heeft, toen ik leefde, moet boven mij bloeien, wanneer ik dood ben. De moed zou mij ontzinken, mijn arm zou krachteloos worden en ineenkrimpen als varenkruid in de vorst, als ik de heuvels van mijn geboorteland niet meer zien mocht. De geheele wereld heeft geen plekje gronds, dat mij zou kunnen troosten, als ik deze rotsen en klippen, als gij hier ziet, hoe woest zij ook zijn, uit het gezicht had verloren. En mijne Helena—wat zou er van haar worden, als ik haar aan nieuwe beleedigingen en gruweldaden blootstelde? Of hoe zou zij een oord, waar de herinneringen aan geleden mishandelingen alleen door de herinnering aan hare wraak verzacht worden? Eens werd ik zoo zeer in ’t nauw gebracht, dat ik voor den eindelijk over mij losbarstenden stroom moest zwichten; ik verliet met de mijnen mijne geboorteplaats en woonde eenigen tijd in het land van Mac-Gallummore. Toen vervaardigde Helena een klaaglied op ons vertrek—beter zou zelfs de bard Mac-Rimmon het niet kunnen maken. Het was zoo treurig en roerend, dat het ons de harten schier brak, toen zij het ons voorzong. Het waren de jammerklachten van een kind, dat om zijne moeder kermt. Ja, onzen ruwen krijgslieden biggelden de tranen langs de wangen, terwijl zij er naar luisterden. Neen, dat zieleleed wil ik niet nogmaals ondergaan! Neen! zelfs niet voor al de landerijen, die ooit Mac-Gregors eigendom waren1.”