Note 1 — HOOFDSTUK IV.
Gerard Keller translation
Hoogst natuurlijk was het dus, dat ik den eersten Schot, dien ik ontmoette, met een vijandig oog beschouwde. Inderdaad bemerkte ik allerlei aan hem, wat mijne vroegere gevoelens omtrent dat volk scheen te bevestigen. Hij had de ruwe gelaatstrekken, de rijzige, gespierde gestalte, welke zijn landgenooten eigen zijn, en daarenboven den eigendommelijken tongval, die langzame, slepende manier van zich uit te drukken, welke meestal uit de poging ontstaat, om de eigenaardigheden van een bijzonder dialekt te vermijden. Ook meende ik de bedachtzaamheid en sluwheid zijner landslieden in vele aanmerkingen, welke hij maakte, en in al zijne antwoorden duidelijk te zien doorstralen. Maar wat mij niet weinig in hem verraste, was zijn ongedwongen zelfbeheersching, eene zekere meerderheid, die hij tegenover een gezelschap, waarin het toeval hem gebracht had, wist te handhaven. Zijne kleeding was van zeer grove stof, hoewel fatsoenlijk. In dien tijd, toen zelfs geringen, om zich het voorkomen van aanzienlijken te geven, alles aan de kleeding ten koste legden, was zulk een eenvoud wel een teeken van vrij bekrompen omstandigheden, zoo al niet van bepaalde armoede. Zijn gesprek verried, dat hij in vee handelde, een beroep, dat juist niet zeer in aanzien stond. En toch, in weerwil van dit alles scheen het hoog natuurlijk dat hij het overige gezelschap met die koele hoffelijke gemeenzaamheid behandelde, die bij hem, van wien ze uitgaat, een wezenlijk of vermeend overwicht veronderstelt. Wanneer hij zijn gevoelen over het een of ander onderwerp uitte, dan geschiedde het steeds in den ongedwongen, stellig verzekerenden toon, welken diegene bezigen, die zich door rang of beschaving van de overigen, met wie zij zich in gezelschap bevinden, onderscheiden willen; alsof alles, wat zij zeggen, noch betwijfeld noch bestreden mag worden. Onze kastelein en zijne Zondagsgasten beproefden, wel is waar, een paar malen zich te doen gelden, door vrij luidruchtig allerlei gewaagde stellingen te opperen; doch van lieverlede onderwierpen zij zich aan Campbell’s gezag, die eindelijk het gesprek geheel alleen leidde. Half uit kamplust, half uit belangstellende nieuwsgierigheid waagde ik het, hem deze heerschappij een weinig te betwisten. Ik maakte gebruik van de wereldkennis, die ik gedurende mijn verblijf in vreemde landen zoo tamelijk uitgebreid had, en ook van de kundigheden door mijne vrij goede opvoeding verkregen. Ten opzichte der laatstgenoemde scheen hij geen lust te gevoelen, zich met mij te meten. Men kon bemerken, dat aan zijne natuurlijke gaven nooit veel zorg was besteed. Maar veel beter dan ik, kende hij, bij voorbeeld, den toenmaligen toestand van Frankrijk, het karakter van den hertog van Orleans, aan wien juist het bestuur van dat land was opgedragen1, en van al de overige Fransche Staatslieden. Zijne schrandere doch bijtende aanmerkingen verrieden duidelijk den scherpzinnigen beoordeelaar.