← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 4 — Zeventiende Brief.

Reading edition

Ik heb u nog vergeten te vertellen, dat hierin het Klooster der Cordeliers een grafkelder plagt te zijn, die, zoo als men het volk wijs maakte, de bijzondere eigenschap had, om de lijken, die men ’er in legde, te verdroogen; doch het is thans algemeen bekend, dat het niet anders dan een kunstje van de Monniken was. Deze kelder gaf aanleiding tot eene weddingschap tusschen twee jonge lieden; een van hun moest juist op het uur van middernacht, (want dat is overal de tijd, dat de spoken en geesten verschijnen, zoo als het middaguur overal bij de boeren de schafklok is) alleen in dezen kelder vol verdroogde lijken en geraamtens gaan, en om wel verzekerd te zijn, dat hij tot het einde toe geweest was, aldaar op een bepaalde plaats een spijker in den muur slaan. Onze held begeeft zich, van een dievenlantaarntje, een hamer, een spijker, en de noodige sleutels voorzien, naar dien akeligen kelder, zich zoo als het dikwijls gaat, kloeker houdende, dan hij in der daad was; maar wie wil, jong zijnde, ook den naam hebben van bang, en vooral bang voor dooden te zijn. Het moest ’er dan mede door. Hij treedt ten kelder in, opent de deur van de grafspelonk, en plaatst den spijker. Ondertusschen staat de andere wedder, met een menigte nieuwsgierigen, een geruime wijl in het Klooster te wachten; en hij komt niet terug. Men begint ongerust te worden, en besluit, om te gaan zien, waar hij blijven mag.—De ongelukkige jongeling was dood, en dat waarschijnlijk door angst; want hij had, een lang en wijd kleed aan hebbende, ’er denkelijk door de vrees, niet ter deeg toeziende, een slip van zijn kleed aan den muur vast gespijkerd; hier door voelt hij zich, heen willende gaan, terug gehouden; en de beangstheid, die misschien reeds tot eene aanmerkelijke hoogte was gestegen, neemt hier door zoodanig toe, dat hij ’er onder bezwijkt4. Genoegzaam alle menschen hebben, en ik geloof zelfs buiten en behalve vooroordeelen van eene verkeerde opvoeding, een’ huiverigen afkeer van de dooden; dit schijnt eenigzins in de natuur te liggen, en men wordt hetzelfde gewaar in sommige dieren, vooral in de paarden. Men handelt dan altijd onvoorzigtig, van dezen afkeer met geweld te willen trotseren, en sterker te willen wezen, dan wij in der daad zijn. Bij deze gelegenheid erinner ik mij een geval van dien aard, dat aan iemand van mijn nabestaanden gebeurd is. Hij bevond zich, nog zeer jong zijnde, te Groningen bij bloedverwanten, die in een groot huis woonden, waar het, zoo men wilde, spookte; een lange gang scheidde de kamer, waar men gewoonlijk zat, van de keuken. Op zekeren avond, dat deze aankomende jongeling uit die kamer, door den gang, in het donker naar de dienstboden in de keuken wilde gaan, wordt hij op eenmaal bij een been vast gehouden, zoo dat hij vallende zeer verschrikte, vooral dewijl het huis een’ kwaden naam had. Daar hij van angst schreeuwde, komt men op het gerucht toelopen, en vindt dat hem het ijzer- of koperdraad van de bel, om een van zijne beenen was gekronkeld. Men had juist gebeld, de draad die door de gang liep was gebroken, en hier mede was de spookhistorie verklaard, en liep zonder eenige onaangename gevolgen af.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings