Note 7 — Zevende Brief.
Reading edition
Heden morgen om vier uren begaven wij ons weder scheep. De rivier vertoont zich hier als geheel van bergen en rotsen omringd; de gezigten zijn schilderachtig. Weldra kregen wij Viviers hoofdplaats van le Vivarais, in het oog; ook dit gezigt zou een zeer fraaije teekening opleveren; doch die hier alles, wat de moeite waard is, wilde uitteekenen, zou ’er wel eenige maanden mede kunnen doorbrengen. Dit stadje is tusschen de rotsen aan den regter of westelijken oever van de Rhone gebouwd, en de hoofdkerk gelegen op een rots, die boven de huizen uitsteekt; het schijnt een oud en groot gebouw te zijn. Voor de omwenteling was Viviers een Bisdom, en de Bisschop voerde den titel van Comte de Viviers. Beneden aan den oever van de rivier ligt een zeer groot, en zoo het schijnt, fraai gebouw; men zegt dat het zoo veel vensters heeft, als ’er dagen in het jaar zijn; nu ’er waren ’er inderdaad zeer veel; het diende voorheen tot een Seminarium. Aan onze linkerhand zagen wij een oud Kasteel, dat de schipper le Chateau de Roche-mollet noemde, meêr wist men ’er mij niet van te zeggen. Een eindweegs gevorderd zijnde, aanhoudend bezig met de fraaije gezigten rondom ons te bewonderen, zagen wij le Bourg St. Andeol, voorheen het verblijf van den Bisschop van Viviers, en waar hij zijn paleis had. Dit stadje ziet ’er nog al wel uit, en is aangenaam aan de regteroever gelegen: wij stapten ’er een oogenblik aan wal, en kochten ’er wat provisie; want het water geeft eetlust, en het werd tijd, om te ontbijten. Het oogenblik naderde vervolgens, dat wij onder die vreesselijk vermaarde Pont-Saint Esprit, waar van men ons zoo veel verteld had, door moesten varen. ’Er wierd raad gehouden, of wij scheep zouden blijven, dan of wij ons voor de brug aan wal zouden laten zetten, en op één na besloten tot het laatste, als zijnde het algemeen gebruik; daarbij wilden wij wel een half uurtje wandelen. Ik had anders nog al lust gehad, om ’er in te blijven, doch voegde mij nu na de meerderheid van het gezelschap; onze reisgenoot, die ’er in bleef, kon zwemmen, en trok zelfs zijn laarsen en rok uit, om daar door, in geval ’er een ongeluk plaats mogt hebben, niet belemmerd te worden; de schipper lagchte hier om, en verzekerde ons, dat ’er geen gevaar was, en hij dien togt meêr dan honderdmalen, zonder eenig letsel, gedaan had; maar het besluit was genomen, en wij stapten een groot kwartier, voor dat wij bij de brug kwamen, aan land. Als een pijl uit een boog zagen wij van daar ons schuitje wegsnellen, en wandelden langs een’ aangenamen weg, beplant met moerbezieboomen, wijngaarden, en hier en daar olijfboompjes, de eerste die ik zag, tot het stadje Saint Esprit. Het zal waarschijnlijk een sterkte geweest zijn, en heeft een citadel en bastions, maar heeft voor het overige weinig te beteekenen; het is aan den regteroever van de Rhone gelegen, en behoort thans tot het Departement du Gard. Wij zagen ’er in een lang en smal gebouw meer dan dertig vrouwen zitten, die bezig waren met de zijde van de poppen te haspelen. De uitwaseming van die poppen, die men in heet water legt, veroorzaakt eenen zeer onaangenamen reuk, en men zegt dat het ongezond werk is, dat ik zeer wel gelooven wil. Nogthans waren ’er onder die werklieden, eenige meisjes die ’er wij wel uitzagen; maar misschien hadden zij dit bedrijf ook nog niet lang bij de hand gehad. Vervolgens gingen wij de vermaarde brug zien; het is een ontzaggelijk stuk werks; zij rust op 26 bogen, waarvan 19 grooten en 7 kleinere zijn; zij is, volgens de beschrijving, 420 toises lang, en 2 toises, 4 voeten, en 4 duimen breed7. Zij werd begonnen in 1265, en in 1309 voltooid, men werkte ’er dus 44 jaren aan.—En hoe, denkt gij dat men aan het geld gekomen is; want dit moet nog al een sommetje gekost hebben. Men maakte gebruik van het bijgeloof van dien tijd, om deze nuttige gemeenschap tusschen den regter- en linkeroever te bewerkstelligen. Het gerucht werd verspreid dat een Engel aan een’ schaapherder verschenen was, en hem geboden had, om daar ter plaatse eene brug te bouwen; weldra kwam ’er een ruime toevloed van offeranden en giften van alle kanten. De Prior van de Abdij, waar het stadje om gebouwd was, had echter het spel haast bedorven; want men had de onvoorzigtigheid gehad, van ’er hem niet in te kennen: doch men herstelde dezen misslag, en gaf hem duimkruid; hij lag den eersten steen, en ziet het wonderwerk had de gewenste uitwerking. Een groot gedeelte van deze brug is op de rots, die daar de bedding van de rivier uitmaakt, gebouwd. Waarschijnlijk bestond ’er een reden, waarom men ze met een elleboog, die tegen den stroom gesteld is gebouwd heeft; want zij zou fraaijer zijn, als zij regt was. Wij waren veel te laat gekomen, om ’er onze schuit onder door te zien varen, zij wachte ons reeds lang aan den anderen kant. ’t Is zeer duidelijk te zien, dat de stroom tusschen de bogen van deze brug, en vooral tusschen die, welke het meest midden in staan, zeer sterk moet zijn, doch als de schippers niet onhandig zijn zie ik ’er geen gevaar in. Nog iets opmerkelijks aangaande het metselwerk van deze brug is, dat de pilaren van de bogen doorluchtig zijn als of ’er vensters in zijn. Ter instandhouding van dit ontzaggelijk en kostbaar stuk werks, is men zeer behoedzaam; de zware vragtkarren of rijtuigen, mogen ’er niet willekeurig overrijden, en om het dreunen voortekomen, worden somtijds de wielen vastgemaakt, in een soort van houten laden (sabots) gezet, en de karren ’er zoo zachtjes over gesleept. Wederom scheep zijnde, bekeek ik de brug nog eens ter deeg, doch wel dra verloren wij dezelve uit het oog. Naar ik vernam, moeten de schippers, onder die brug door willende varen, niet op het midden van een boog, maar op een pilaar aanhouden, even als of zij tegen denzelven aan wilden varen. De stroom brengt hen dan van zelve in het midden van den boog of poort daar zij door moeten, en in een oogenblik zijn zij aan den anderen kant. De gezigten blijven aanhoudend schoon, en de landstreek berg- en rotsachtig. Orange zagen wij aan de linkerhand van verre liggen; het speet mij, dat ik de overblijfsels der Romeinsche oudheden, die deze stad nog bezit, niet kon zien; doch zij is omtrent een mijl van den oever afgelegen, en dus wat te ver om ’er naar toe te wandelen; daar bij was het zeer warm, en omstreeks elf uren voor den middag. Onze voormalige Stadhouders voerden den naam van Prinsen van Oranje, naar het Prinsdom, of liever Prinsdommetje, waarvan deze stad toen de hoofdplaats was.—Wat heeft zelfs die naam in ons Vaderland niet dikwijls aanleiding tot verregaande onaangenaamheden gegeven!!... Verder op zagen wij het stadje Caderousse aan den linkeroever gelegen; voor deze plaats ligt ’er een eiland in de Rhone, dat nog al uitgestrekt is. Eindelijk wees men ons de oude Pausselijke stad Avignon, die door zijne aangename gelegenheid, zijne torens en hooge gebouwen, en de rots, waar het oude Apostolische Paleis op gebouwd is, eene fraaije en aanzienelijke vertooning oplevert. Eer dat men aan de stad komt, ziet men ook nog een eiland in de rivier, dat vrij aanmerkelijk is, de Rhone maakt daar twee armen en vereenigt zich weder bij Avignon. Het was omtrent twaalf uren ’s middags, toen wij hier aankwamen. Wij hadden dus in minder dan 23 uren (want den tijd dat wij geslapen en ons opgehouden hebben, reken ik ’er af,) een’ weg afgelegd van omtrent 48 mijlen, ik was ’er dan ook bijzonder over te vreden en zou ieder, die deze reis aangenaam, goedkoop en gemakkelijk wil doen, raden, om het op dezelfde wijze aanteleggen. Wij gaven elk aan onzen schipper, behalve de bedongen vracht, 30 sols drinkgeld, en hij was zeer wel te vreden. Die man moest nu zijne schuit hier verkoopen, doorgaans voor eenen zeer geringen prijs, en dan te voet weder terug keeren naar Lyon, zijne woonplaats.