Note 1 — Zestiende Brief.
Reading edition
Wij aten hier vrij wel, en onder anderen goeden zeevisch. De landsdouw aan den anderen kant van de stad, beviel mij niet minder dan aan dien, daar wij ingekomen waren. Na 1¼ post gereden te hebben, verwisselden wij van paarden, op een plaatsje genaamd la Begude de Jordy. Het is allerliefst gelegen, ’er staat zeer veel hout, waar onder schoone en weelderig groeijende opgaande boomen; voor het posthuis is een fraaije altijd water gevende fontein, en digt daar bij een aangename tuin, waarin onderscheidene vruchten zeer wel schenen te groeijen; ik was verwonderd over de bevallige vruchtbaarheid van dit oord, waar van de grond in hoedanigheid veel van de gewone gronden hier omstreeks schijnt te verschillen; men zeide mij ook, dat dezelve voor het houtgewas inzonderheid beroemd was;—wat verder wordt de weg zanderig. Bij Bezier is de landstreek aangenaam, en deze stad doet zich niet onbevallig op; ’t was omtrent vijf uren na den middag, toen wij hier aankwamen; men rekent Pezenas en Bezier op 2¾ post. Ons nachtverblijf was hier bepaald, dus hadden wij den tijd, om de stad te zien. Zij is zeer oud, en het blijkt uit eenige oudheden, die ’er gevonden zijn, dat hier eene Romeinsche Volkplanting bestond, en dat zij bekend was onder den naam van Julia Bitterra of Civitas Bitterensium. Wij stapten in de voorstad, waar de gewone herberg van den postwagen is, af. De steenen brug, die niet ver van daar over de rivier l’Orbe ligt en vrij lang is, overwandelende, ging ik dat gedeelte van het Canal du Languedoc, dat in die rivier uitloopt, bezigtigen; doch zag ’er niets anders dan eenige schutsluizen1; het kanaal zelve was, zoo als doorgaans in dit jaargetij, geheel droog; aan den overkant van de rivier vervolgt het verder tot bij Cette, waar het in zee stort. Paul Riquet, aannemer van deze vaart, naar het bestek van Andreossy, werd te Bezier geboren. Van daar keerde ik terug naar de stad, dat slechts een kleine afstand is; zij is op een vrij hoogen heuvel aangenaam gelegen. Wij klommen ’er op. Van den wal naar den kant van de rivier, en bijzonder van een terras, dat men de Belle Vedère noemt, heeft men een zeer uitgestrekt en allerverrukkendst gezigt op de rivier de l’Orbe, in een aangename valei stroomende, de brug over dezelve en de bergen in ’t verschiet. Dit gezigt alleen is der moeite waard, om zich aan deze plaats optehouden. De Hoofdkerk komt ook op den wal uit, en van de plaats voor dezelve heeft men insgelijks een schoon gezigt. Het is een oud, en was naar het scheen in vroegere tijden een aanzienlijk gebouw; van binnen zag ik ’er niets bijzonders. Maar ik moet u een staaltje vertellen van verregaande onverdraagzaamheid, ten opzigte van de Joden, die hier in oude tijden plaats had. De zoogenaamde Christenen hadden vrij verlof, om hunne medeburgers en anderen, tot de Joodsche Kerk behoorende, die zij ontmoetten, van Zaturdag voor Palmzondag af, tot beloken Paasschen toe, te slaan en te mishandelen; en het blijkt, dat dit nog al een soort van Kerkelijke instelling was; want de ongelukkige Israëlieten gaven een groote som gelds aan de Hoofdkerk, dat is aan den Bisschop enz. om van deze allerschandelijkste onderdrukking bevrijd te zijn.—Diergelijke afschuwelijke misbruiken, hoewel minder wreed, hadden nog tot in onze dagen plaats, vooral hier en daar in Duitschland; doch dank zij dien weldadigen wijsgeerigen geest, welke thans door vele lasterlijk uitgekreten wordt; op de meeste plaatsen zijn zij reeds afgeschaft, of worden zulks nog dagelijks gedaan.