Note 2 — Zesde Brief.
Reading edition
Den 27 Julij het drooge weder waarnemende, klommen wij op den Berg St. Just, en bezochten aldaar het gebouw, dat zich boven een der torens van die Kerk vertoont, en om de oudheden die het bevat, l’Hospice de l’Antiquaille, zoo als men ook boven den ingang leest2, genaamd wordt. Sommige Romeinsche Keizers bewoonden het Paleis, dat hier stond, als zij te Lyon waren, en hunne Gouverneurs hielden ’er hun verblijf. Men gelooft algemeen dat Lucius Munatius Plancus, die Consul was gelijktijdig met Æmilius Lepidus en een der Luitenants of Stedehouders van Cæsar, de stichter is van Lyon; het jaar van Rome 712, en dus ten naastenbij 40 jaren voor de Christelijke Jaartelling. Waarschijnlijk heeft men op dezen berg beginnen te bouwen; naauwelijks was ’er een eeuw verlopen, of de gansche stad brandde in eenen nacht af, en werd door Nero weder opgebouwd. Men ziet in het Hospice de l’Antiquaille eenige oude opschriften, en in een onderaardsch gewelf, toont men een soort van nis in de muur, waarin men verzekert, dat St. Photin, die met Irenéus hier het Christelijk geloof kwam prediken, levendig is ingemetseld geworden, men leest dan ook boven die nis: St. Photin a fini son martyre dans ce lieu, agé de 90 ans sous l’Empereur Marc Aurelle 179. Deeze St. Photin, zegt men, dat de eerste Bisschop van Lyon was; 47 andere werden, volgens overlevering, met hem, hier gemarteld; men toont ook de steenen palen, waar zij aan gebonden of geketend zouden geweest zijn. De Nonnen, die dit gebouw voor de omwenteling bewoonden, gebruikten dit gewelf ook voor hare begraafplaats. In een soort van ovens zag ik nog verscheidene doodshoofden en beenderen. Uit een der kamers van dit gebouw heeft men een zeer uitgestrekt en allerschoonst gezigt. Van daar werd het Panorama van Lyon geteekend. Men ziet uit dit gebouw, het grootste gedeelte van de stad, de Saone, de Rhone en over dezelve, en over een uitgestrekt landschap, de Alpen, de Mont-Blanc, de top van de Mont St. Bernard enz. Het was zeer helder weder, zoo dat wij het gelukkig troffen. Thans dient het gebouw, dat vrij groot is, tot een gevangenis voor vagabonden, bedelaars, ligte vrouwlieden, namelijk die, welke tot de klasse van het zoogenaamde gemeene volk behooren, want galante Dames du bon ton zet men ’er niet. Men bewaart ’er ook eenige zinnelozen. ’Er is een Kerk bij, en hier staat een’ offerbus, waar men wat in steekt, ter eere van St. Photin. Wij gaven ook wat voor het huis. Niet ver van hier, omtrent voor het voormalig Klooster der Minimen, is eene plaats, die men de plaats der martelaren (la place des Martyrs) noemt; om dat hier ook een menigte Christenen zoude gemarteld geweest zijn. Men toont ’er ook nog een’ grooten steen, zonder eenig opschrift echter, waarop men wil dat zij geslagt wierden, en die men als een achtingwaardig gedenkteeken beschouwt. Wat hier ook van wezen moge, het blijkt uit de Geschiedenis, dat de vervolging der eerste Christenen, vooral onder Septimus Sevérus, hier allerverschrikkelijkst geweest is. Achter dit gewezen Minime-Klooster, ziet men nog de geringe overblijfsels van een’ Romeinschen Schouwburg. Tot de trotsche gebouwen, die de Romeinen hier gesticht hebben, behooren ook de kostbare steenen waterleidingen (aquaducs), die eene uitgestrektheid van verscheidene mijlen schijnen gehad te hebben; hier en daar ziet men ’er nog overblijfsels van. Men toonde ons een van de plaatsen (reservoirs) waar dit water verzameld werd in een wijngaard, voorheen behoord hebbende aan het Klooster der Urselinen. Het is een diepe kelder, waar men, van kaarsen of fakkels voorzien, door middel van verscheidene steenen trappen in gaat. Het gewelf is ruim, en rust op verscheidene bogen. De soort van kalk, waar de muren mede gepleisterd zijn, is bijzonder hard, zoo dat men moeite heeft om ’er stukken afteslaan. Men wijst ook in den muur de gaten of pijpen aan, waardoor men meent dat het water ingelaten werd. Het schijnt, naar het metzelwerk te oordeelen, dat die plaats aanvankelijk niet overdekt is geweest; maar dat het gewelf ’er naderhand is opgemaakt. Deze kelder is hier bekend onder den naam van les bains des Empereurs, of les bains des Romains. Sommige Geschiedschrijvers noemen dezelve la grotte Berelle. Thans behoort dit Klooster, en aangelegen erven, aan iemand, die ’er zinneloze menschen, tegen betaling, in den kost neemt. De man, die den kelder laat zien, woont hier digt bij, en men geeft hem daar iets voor. Een weinig verder in een anderen tuin, ziet men een kelder veel minder diep dan la grotte Berelle; zo dat men ’er door het daglicht duidelijk in zien kan. De grond is hier met kleine steentjes van onderscheidene kleuren als een schilderij ingeleid (en Mosaïque). Men zegt, dat dit ook behoort tot het werk van de Romeinen, doch ik zag ’er twee gedaantens in, die veel overeenkomst hadden met de afbeeldingen van Engelen en Duivelen; evenwel stond ’er nog ook een soort van Afgodsbeeld bij; zij die kundiger zijn in de oudheden dan ik, mogen beslissen wat het is3. Ik zag hier ook eenige pilaren, en een soort van altaar van hout, dat geschilderd was; en vernam, dat dit aan de Vrijmetselaars, die hier omstreeks hunne vergadering houden, en somtijds van dezen kelder gebruik maken, behoorde. Wij gingen van daar naar de Kapel van Onze Lieve Vrouw van Fourvières, voorheen, en nog onder de geloovigen vermaard, door hare menigvuldige ex voto’s, geloften aan de Lieve Vrouw, of haar beeld, dat hier bewaard werd. Die Kapel ligt op het hoogste gedeelte van den berg. Een vrouw had die na de omwenteling gekocht, en meende ’er haar rekening bij te vinden, door ’er missen te laten lezen, enz. doch het is haar verboden; en men verhaalde mij, dat zij hier over met het Stadsbestuur in proçes was. Wij klommen op het torentje van deze Kapel, van waar wij ook een overheerlijk gezigt hadden, en veel uitgestrekter nog, dan uit l’Hospice de l’Antiquaille. Men ziet hier bijna over al de nabij gelegen bergen heen; de stad en derzelver omstreken, de loop van de Rhone en de Saone en hunne vereeniging heeft men als een Landkaart voor zich, duidelijk zag ik de witte toppen der Alpen, en kon mij naauwelijks van zien verzadigen. In de Kapel is niet veel anders te kijken dan een groote menigte kleine, meestal ellendig gekladde schilderijtjes, verbeeldende mirakuleuse reddingen, door de Lieve Vrouw, van menschen, die in nood zijnde, ’t zij door ziekte, schipbreuk, in ’t water liggende of anderzins, een gelofte aan haar gedaan hebben; onder anderen was ’er een bij van een deserteur, die de wacht, die hem na zat, ontkomen was; zoo dat de Lieve Vrouw ook de desertie, die toch overal als een strafwaardige misdaad wordt beschouwd, scheen te bevorderen4. De rest is niet waard, dat men zich ’er zich een oogenblik om ophoudt, wanneer men niet tot de geloovigen behoort.