← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 7 — Vier en Twintigste Brief.

Reading edition

De weg loopt vervolgens door een aangenaam landschap, latende de rivier aan de linkerhand. Aan beide zijden op een’ zekeren afstand van den weg, ziet men groene heuvelen, en hier en daar buitenverblijven. Vooruit ziet men in de verte een soort van vrij hoogen toren. Welhaast naderden wij denzelven: het is een steenen kolom, waar een wenteltrap omslingert, staande op het moderne Kasteel les Ormes genaamd, en behoorende aan den Heer Voyer d’Argenson. Het is een groot en prachtig gebouw, met uitgestrekte tuinen en boschjes; terwijl men van paarden verwisselde, hadden wij den tijd, om hier eens rond te loopen. Aan den anderen kant van den weg zijn de stallen, en dit alles gelijkt naar een Vorstelijk verblijf. Het ligt 2½ post van Chatellerault. Wij reden nog een goed eind weegs langs de muren, die de aangelegen erven van dit landgoed omringden;—deze landstreek schijnt zeer bewoond, en wij kwamen door eenige dorpen over eene brug, over de kleine rivier la Creuse liggende7 en langs eenen beplanten weg, omtrent 7½ uren te St. Maure, een steedje, waar wij ons avondmaal en nachtverblijf moesten houden; hebbende heden 9½ post afgelegd. Voor den gewonen prijs van £ 3–10-: hadden wij een vrij goed avondmaal en ligging, doch konden van de laatste niet lang gebruik maken: alzoo wij den 6 dezer, ’s morgens om 3 uren, weder voort reisden. Het had wat gevrozen, en deed zulks nog, toen wij afreden. De zon ging helder op, en het was een schoone herfstmorgen. Langs den weg stonden eenige ijpenboomen; men was bezig met de bladeren van dezelve aftestroopen; zij dienen tot voeder voor het vee, niet omdat het gras of ander voedsel thans buitengewoon schaars is, maar omdat men meent dat deze bladeren goed en gezond zijn, inzonderheid voor de koeijen, welke dezelve ook gaarne lusten. Ik geloof toch, dat indien men hier even zoo als in Bataafsch en Fransch Braband, rapen en spurrie zaaide op de zoogenaamde korenstoppelen, zulks veel voordeeliger en beter zou zijn; doch zoo als ik reeds gezegd heb, over het algemeen is ’er aan den landbouw in Frankrijk nog veel te verbeteren. Hier en daar zijn wel Landbouwkundige Genootschappen, welke bespiegelingen maken, prijsvragen uitgeven, en boeken schrijven; doch de landman kan dikwijls niet lezen8, of zoo hij het al kan, heeft hij ’er den tijd en den lust niet toe, en blijft ook liever zoo maar op den ouden voet voortslenteren, daar eene nieuwe behandeling doorgaans in het begin meerder moeite, althans meerder oplettenheid, en somtijds ook eenige onkosten veroorzaakt. Landbouwkundige Genootschappen zijn dan wel goed, en zelfs zeer goed, doch zij moesten, mijns bedunkens, de practijk bij de theorie voegen, en ieder genootschap moest ook tevens eenige morgens akkerland onder den ploeg hebben, tot bosch aanleggen, en van tijd tot tijd die streken gaan bezoeken, welke het meeste verbetering behoeven, aldaar eenigen tijd verblijven, en met de landlieden en hunne gebruiken kennis maken. In Duitschland reizende, zag ik daar op sommige plaatsen Predikanten die in der daad boeren waren; doch zij hebben met dat al doorgaans eene beschaafde opvoeding en opleiding tot meêr andere wetenschappen dan de Godgeleerdheid alleen, gehad. Men vindt daar zeer hupsche en achtingwaardige Patriarchen onder; en welke zich niet door hunne opgeblazenheid, maar alleen door meerdere deugd en eenvoudige kunde van hunne gemeente trachten te onderscheiden, en alzoo bij dezelven zeer bemind zijn. Zou men niet weldoen, van dit voorbeeld aangaande onze Predikanten, Pastoren en Dorpschoolmeesters te volgen; was het niet nuttiger dat de eerstgenoemden zich op de Hooge Schole, op de studie van den landbouw, dan op die der Hebreeuwsche en Chaldeeuwsche talen toeleiden, en zou men bij het doen der examens, geene bewijzen van hunne kundigheid hier omtrent kunnen vorderen, gelijk ook van de Dorpschoolmeesters? Ik deel u deze aanmerking mede, omdat mij dunkt, dat gij dienaangaande wel eens een voorstel bij de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen zoudt kunnen doen. Doch keeren wij tot mijne reisbeschrijving weder terug. Langs een’ goeden weg, en door een aangename landstreek, kwamen wij, om de koude meestal wandelende, te Montbazon, een niet onaardig stadje, en dat een welvarend voorkomen heeft. Bij hetzelve ziet men de overblijfsels van eene oud Kasteel, en een fraaije steenen brug over de kleine rivier l’Indre. En nu komt men aan de bekoorlijke toegangen van Tours; van de hoogte heeft men een verrukkelijk gezigt op dezelve, en de aangename landouw, waarin zij gelegen is. Daar de wagen om eene brug, welke men herstelde, verpligt was een’ kleinen omweg te maken, verkozen wij, om langs den gewonen weg, zijnde een fraaije laan, een groot kwartier uurs lang, naar de stad te wandelen; aan het eind van deze laan komt men door een mooi ijzer hek in dezelve en die hier nooit geweest is, staat verwonderd over het fraaije, nette en regelmatige van dit gedeelte van de stad: zijnde een vrij lange en breede straat, aan beide zijden met verheven en wel gestraatte voetpaden, en zeer fraaije huizen van gehouwene steen, in eene geregelde en sierlijke order gebouwd. Wij kwamen hier om 9½ uur ’s morgens aan. Tours is, langs den weg dien wij gekomen waren, 48¾ post van Bordeaux. De postwagen vertoeft ’er, om het middagmaal te houden, en ik voornemens zijnde, om hier een paar dagen te blijven, nam mijn intrek in het Hotèl d’Espagne, hetzelfde, waar de passagiers van den postwagen spijzigen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings