← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 4 — Vier en Twintigste Brief.

Reading edition

Den 4 dezer. ’s Morgens bij het opgaan van de zon, was het mistig en zeer koel, de grond tamelijk effen en de weg goed. Men ziet hier geen wijngaarden. Omtrent het dorp Chaunay, 8½ post van Angoulême, en waar wij van paarden verwisselden, begint het Departement la Vienne; hier omstreeks zag ik veel schapen, die de akkers afweiden; de boomen, die men ’er het meeste ziet, zijn noten en castagnes, hier en daar een’ enkele eik. Wij ontbeten te Couhé, 1¼ post verder, bij het riviertje la Dive gelegen; ’er is een groote hal, anders schijnt het niet veel te beteekenen; hier, en in deze landstreek, wordt veel noten-olij gemaakt.—Altijd zagen wij veel noten- en castagne-boomen, die op dezen grond, die niet van de beste schijnt te zijn, nog al redelijk tierig staan. Tusschen beide ziet men ook veel onbebouwde gronden, en de landbouw schijnt hier niet zeer ter harte genomen te worden, doch de streek kwam mij ook weinig bevolkt voor. Vivonne, 2½ post van Couhé, was voorheen een stadje; thans is het een armoedig vlek; men kan zich naauwelijks een slordiger en onoogelijker plaats voorstellen. De inwoners zagen ’er vuil en afzigtig uit, en de ellende was bijna op alle gezigten te lezen. Ondertusschen levert dit plaatsje bij het inkomen een niet onaardig en zelfs schilderachtig gezigt op. Men ziet ’er, hier en daar ruwe en naakte rotsen, de vervallen muren van een oud Klooster op eene hoogte, tegen dezelve eenige slordige woningen, lager groene beemden, door een kronkelend beekje bespoeld; welk beekje, dat men de Vonne noemt, zich een weinig verder met het riviertje le Clain vereenigt, en waar over hier eene houten brug ligt; wij verwisselden daar van paarden; ik had dus den tijd, om het op mijn gemak te beschouwen, en mij dunkt dat dit alles door de hand van een’ bekwamen meester uitgevoerd, een fraaije teekening of schoone schilderij zou zijn. De landstreek blijft, verder voortreizende, woest en onbebouwd, het weinige hout, dat men hier en daar ziet, bewijst, dat de natuur slechts behoeft geholpen te worden, omdat in eene grootere hoeveelheid voort te brengen. Naar mate dat men Poitiers nadert, wordt de landstreek aangenamer, en de weg is aan beide zijden beplant. Deze stad is wederom op eene hoogte gelegen. Wij kwamen daar omstreeks vier uren aan, en stapten af aan de herberg les Trois Pilliers genaamd. In een tuin, niet ver van deze herberg, ziet men nog eenige geringe overblijfsels van een Romeinsch gebouw, alhier onder den naam van Palais Galliën, of l’Amphithéatre bekend; het scheen van gebakken steen enz. op dezelfde wijze als dat van Bordeaux gemetseld te zijn geweest4. Van daar ging ik naar de wandelplaats, die men le Parc noemt. Het is een fraai boschje, aan een’ hoek van de stad op de hoogte gelegen, en waarin verscheidene lanen zijn; deze wandeling is bijzonder aangenaam, omdat men van de voormalige stadswallen, die dezelve omringen, een heerlijk gezigt heeft. Door een lagchend en aangenaam geschakeerd landschap, kronkelt het riviertje le Clain; ook ziet men van hier omtrent een kwartier uurs ver, eenige poorten of bogen; het zijn de overblijfsels van een Romeinsche Aquaduc. Vervolgens langs de stadswallen of muren, naar den kant van le Clain voortwandelende, heeft men het gezigt op aangename moestuinen, groene weilanden, een’ watermolen, schilderachtig gelegen, een brug, le pont Joubert genaamd, de overblijfsels van een Benedictijner Klooster, dat een fraai gebouw schijnt geweest te zijn, en een fraaije steenen brug, die ’er nog nieuw uitziet, en welke men le Pont Neuf noemt. Vervolgens komt men in een laan met Italiaansche populieren, die al eene tamelijke hoogte bereikt hebben, beplant. Van hier ziet men aan den overkant van de Clain, de rotsen, die men hier en daar voor zware vervallen muren of overblijfsels van oude gebouwen zou aanzien; tegen en in deze rotsen zijn ook eenige woningen gemaakt. Een fraai en nog nieuw gebouw met een colonnade ’er voor, langs dezen weg staande, dient, om de baden te gebruiken. Aan den eenen kant zijn de vertrekjes voor de vrouwen, en aan den anderen die der mannen. Een weinig verder heeft men de allerliefste en zeer romaneske wandeling, die hier la Promenade du pont Guillon genoemd wordt; ik wil trachten om ’er u, zoo goed mij doenlijk is, een denkbeeld van te geven; verbeeld u eene plaats van eene onregelmatige gedaante, door zware en digte boomen beschaduwd; het riviertje le Clain, welkers boorden hier en daar met struiken begroeid zijn, stroomt ’er langs; aan dien kant, en zelfs in het water ziet men eenige torens en overblijfsels van een oud Kasteel voor verscheidene eeuwen, door de Graven van Poitiers, en thans door de uilen en vledermuizen bewoond. In een der torens scheenen echter nog menschen te huizen, en eenige doeken, die uit de venstergaten te droogen hingen, maakten hier geene onaardige vertooning. Verder op ziet men de rotsen aan den overkant van de Clain, en aan de andere zijde, naar den kant van de stad, is een rijweg, onder water staande, en door hooge boomen, somber beschaduwd; juist kwam daar een driftje beesten en een vrouw op een ezel gezeten door, en nu was het volmaakt een schilderij in den smaak van uw beroemden stadgenoot Nicolaas van Berchem. De zon bijna ondergaande begunstigde het schilderachtige nog van dit schoone landschap. Niet ver van deze wandeling gaat men door de poort, la porte de Paris genaamd, in de stad; in de rotsen over dezelve zijn ook eenige woningen gemaakt. De stad van dezen kant ingaande, loopen de straten zeer steil; inwendig is zij meestal zoo lelijk en onaangenaam als de omstreken fraai en bevallig zijn5; naauwe, kromme en misselijk bebouwde straten; een menigte thans veelal vervallen of half verwoeste Kerken en Kloosters, en andere gothische gebouwen. De Hoofdkerk is zeer groot, en heeft misschien voor liefhebbers van diergelijke gebouwen hare schoonheden. Voorbij een straat gaande, die men la rue Neuve noemt, zag ik een pyramide met een basrelief in den muur, op den hoek van dezelve. Eenige vrouwen die daar omtrent aan haar deur zaten, verhaalden mij met een soort van eerbied, dat het een gedenkteeken was van een groot wonderwerk door den Heiligen Hilarius, Bisschop alhier, gedaan. In het begin van de omwenteling was het, hier digt bij staande, om ver geworpen, en nu had men het sedert eenigen tijd weder opgerigt, en in den muur gemetseld. Hoewel Calvinus in deze stad nog al wat aanhangers gemaakt heeft, thans is ’er het getal der Protestanten niet groot, en de Roomschgezinden zijn ’er meestendeels bijgeloovig en onverdraagzaam6. Voor de omwenteling waren hier omtrent 50 Kerken en Kloosters. Deze Stad heeft, ten tijde van de religieoorlogen, bloedige tooneelen opgeleverd; de Maarschalk St. André, dezelve ingenomen hebbende, gaf ze, om zich op de Protestanten te wreken, aan de plundering en baldadigheid zijner soldaten over; de gruwelen, die aldaar toen gepleegd werden, zijn allerafgrijsselijkst. De getergde en vervolgde Protestanten moorden en martelden wel niet, maar begingen vele buitensporigheden in het plunderen der Kerken, en het verwoesten van verscheidene merkwaardige gedenkteekenen en kunststukken.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings