← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 1 — Vier en Twintigste Brief.

Reading edition

Omtrent Barbezieux begint het Departement de la Charente. Wij hielden ’er op, om het middagmaal te nemen, ondertusschen ging ik het plaatsje, dat zich nog al aangenaam opdoet, doorwandelen, doende mijn ontbijt met brood en druiven, dat ik onder weg kocht. De herberg ziet ’er hier anders zeer wel uit, doch, daar het pas negen uren ’s morgens was, en ik den vorigen avond wel gegeten had, had ik niet veel honger1. De wandelingen bij dit stadje zijn aangenaam met lindeboomen beplant; in hetzelve ziet het ’er nog al redelijk welvarende uit. Ik zag ’er verscheidene linnenwevers, men scheen ’er ook veel druiven te droogen, en, naar ik vernam, waren de kapoenen van Barbezieux beroemd. Van een oud kasteel, dat in het steedje staat, en thans tot eene gevangenis dient, wist men mij niets bijzonders te vertellen. De Onderprefect houdt hier zijn verblijf, en het getal der inwoners wordt op ruim 2700 begroot. De weg wordt goed, en de gezigten hier en daar nog al aangenaam, vooral op een hoogte omtrent 1½ uur van Barbezieux; men komt vervolgens door een eikenbosch, waarin echter weinig of geen zware boomen. Ik verwonderde mij gedurende de gansche reis, dat men in Frankrijk niet beter zorgt voor de beplanting, vooral, daar dit land zoo aanmerkelijk veel brandhout noodig heeft. Men ziet weinig bosschen, en de wegen zijn slechts hier en daar beplant. De prijs van het brandhout stijgt, bijzonder ook te Parijs, van jaar tot jaar: sinds jaren schijnt men het gebrek daar aan te voorzien, en nog vindt men ’er onbebouwde gronden, en weinig boomen langs de wegen2. Het steedje Roulet, waar wij door kwamen, ziet ’er vrij wel uit. De weg blijft aangenaam,—hier en daar buitenplaatsen en papierfabrieken met watermolens, die op beken staan.—Eenige rotsen maken geene onaardige vertooning. Men zeide mij, dat dezelve goede steengroeven opleverden. Hier omstreeks is de weg beplant, en de stad Angoulême, op eene hoogte gelegen, vertoont zich aan het einde van dezelve op eene bevallige wijze. Om 3½ uur na den middag stapten wij af aan de herberg la Croix d’Or, in de voorstad du Homo, even buiten de genoemde stad, en na het avondmaal besteld te hebben, klom ik naar dezelve; ’er is een groote halle bij de plaats de la Commune. De straten zijn ’er doorgaans naauw. Anders ziet het ’er nog al vrij welvarende uit. Men heeft hier ook een’ Schouwburg, die van buiten nog al een fraai gebouw is, hij staat op een plein, dat men Place de la Comedie noemt. Naast den Schouwburg is een zeer fraai Koffijhuis, met een tuin en ruime zaal, waarin drie billarten; ik nam daar eenige ververschingen. Uit een der kamers heeft men een zeer fraai gezigt. Van de Place de la Comedie gaat men op de gemeene wandeling, van waar men ook een schoon gezigt heeft, vervolgens van daar den wal rond. Het gezigt blijft altijd fraai. De hoofdkerk, die ik in het voorbijgaan zag, ziet ’er inwendig zeer eenvoudig uit, en levert niets bijzonders op. Den wal volgende, komt men op de Place Beaulieu, zijnde een fraaije wandeling op een’ terras, van waar men, alzoo de stad op een vrij hoogen heuvel ligt, een verrukkelijk en zeer uitgestrekt gezigt heeft. Door het dal ziet men de rivier la Charente kronkelen. Over dezelve ligt een fraaije steenen brug, en zij maakt door haren slingerenden loop verscheiden eilandjes. Verder ziet men de haven, waarin eenige schuiten lagen, en de voorstad du Homo, die zeer uitgestrekt is. Aan de andere zijde ziet men den fraaijen grooten weg, en eenige bergen in het verschiet; op dit terras, dat vrij groot is, zijn eenige lanen van lindeboomen, doch zij waren hun blad meestal kwijt; het fraaije gebouw dat men op hetzelve ziet, was voorheen een Nonnenklooster. Thans dient een gedeelte van hetzelve voor de Stadsboekerij. Omstreeks deze stad zijn verscheidene papierfabrieken, en het papier van Angoulême is door geheel Frankrijk beroemd, en wordt tot het drukken van werken van belang gebruikt3. Ik zag hier ook in het voorbij gaan een fabriek van speelkaarten. De Ingezetenen drijven veel handel in wijn en brandewijn. Het stadje Cognac, van welker beroemde brandewijnen wij zeer veel trekken, behoort ook tot het landschap Angoumois, waar van Angoulême de hoofdstad plagt te zijn. Thans is zij de hoofdplaats van het Departement de la Charente. Het getal harer ingezetenen wordt op 11,500 begroot, doch, naar men mij verzekerde, zijn de voorsteden te zamen genomen grooter, dan de stad zelve. Men zegt, dat de ingezetenen over het algemeen vrij los en ongedwongen van levenswijze zijn. De levensmiddelen, en zelfs de huishuren zijn ’er, naar ik vernam, niet goedkoop. Hier omstreeks wordt ook veel saffraan geteeld.—Dit stadje is vooral om de schoone gezigten wel der moeite waardig om te zien.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings