Note 11 — Veertiende Brief.
Reading edition
De kruidtuin, die ter zijde van de place du Peyrou ligt, kwam mij niet zeer ongemeen voor, doch ik beken gaarne, dat mijne Botanische kundigheden zeer bepaald zijn. Men toonde hier eene plaats, waarin men langs eenige trappen afklimt, en alwaar de, door zijn sombere Nachten, zoo bekende Young zijne dochter zou begraven hebben; deze plaats is onder een boog of gewelf, en wordt le Tombeau de la fille de Young11 genaamd; doch men ziet ’er niets, dat een grafstede aanduidt. Gij weet, dat Young met een ziekelijke dochter van zijne vrouw, te Montpellier kwam, om ’er hare gezondheid te herstellen, doch dat dezelve daar overleed; dit gebeurde omtrent 1741. En die zwaarmoedige, en, toen in der daad zeer ongelukkige man, verloor in drie maanden tijds zijne vrouw en hare twee dochters; en deze slag trof hem in den ouderdom van zestig jaren. Tot het Protestantsche geloofsgenootschap behoorende, waar onder Young zelfs Predikant was, mogt die dochter niet op de gewone wijze, en in zoogenaamde gewijde aarde begraven worden; hij droeg het ligchaam dan zelf bij nacht hier henen, en begroef het met behulp van een tuinmans knecht, die hem door een klein deurtje ter sluip had ingelaten. Eenigen tijd voor de omwenteling vondt men hier, de aarde roerende, dan ook nog eenige beenderen. De te regt vermaarde Tooneelspeler Talma, en Madame Petit, beide tot het eerste Tooneel van Parijs en van Frankrijk behoorende, bevonden zich hier weinige jaren geleden, en stelden edelmoediglijk eene inschrijving voor, denzelven te gelijker tijd beginnende, om een eenvoudig gedenkteeken op het graf van Narcissa opterichten, ten einde daar door de schandelijke onregtvaardigheid van het bijgeloof eenigzins te vergoeden, en de gedachtenis van een voornaam dichter te vereeren12. Tot nog toe echter is dit ontwerp niet uitgevoerd. Had het een beeld of altaar in een Kerk betroffen, waarschijnlijk zou het ’er al gestaan hebben.