← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 10 — Veertiende Brief.

Reading edition

Door een’ aanbevelingsbrief aan iemand, die naverwant was aan den Professor Broussonet, hadden wij bijzondere gelegenheid, om de zoo vermaarde Faculteit der Geneeskunde alhier te zien. Het gebouw, dat men l’Université noemt, is digt bij de hoofd- of St. Pieterskerk. De Heer Broussonet, Professeur de Clinique interne, ontving ons zeer vriendelijk, doch daar hij het drok had, moetende dadelijk bij een examen tegenwoordig zijn, gaf hij order, om ons al het merkwaardige te laten zien. Hij kwam mij voor tusschen de 35 en 40 jaren oud te zijn. Wij begonnen met het Amphithéater voor de ontleedkunde, dat een schoon gebouw is, met een koepel, waarin een lantaarn, waardoor het licht valt; de zitbanken zijn, zoo als gewoonlijk, trapsgewijze en in de rondte geplaatst, en men zeide, dat dit Amphithéater 2000 menschen bevatte. Ik zag ’er ook het borstbeeld van den bekenden Chimist Chaptal, zoo ik meen, Oom van den voormaligen Minister van binnenlandsche zaken te Parijs, en schrijver van een werk genaamd, Elémens de Chimie. Vervolgens zagen wij de boekerij, die men zegt, dat in het vak der geneeskunde al zeer volledig is. Men toonde ons verscheidene fraaije en kostbare werken, met afgezette platen, enz. De verzameling van geraamtens, dissecaties, injecties, enz. vond ik niet zoo aanmerkelijk, als ik wel verwacht had; en de ontleedkundige afbeeldingen in wasch, die ik hier gezien heb, kwamen mij veel minder voor dan die, welke men in het Kabinet van Bertrand te Parijs ziet. Dit verwonderde mij omtrent de vermaardste geneeskundige Faculteit van geheel Frankrijk. Men was reeds bezig met het examen in een ruime zaal, waar wij ook onder de toehoorders, welker getal echter niet zeer aanmerkelijk was, plaats namen. De Candidaat, die wel 25 Jaren oud scheen, deed een vertoog (Dissertatie) in de Fransche taal, staande in een gestoelte; achter hem op een zeer verheven plaats zat een van de Professoren, en ter zijde, aan de linkerhand van den spreker, vier anderen, waar onder de Heer Broussonet, van wien ik reeds sprak, en een Mejon, die een vermaard Operateur en Oculist moet zijn; de namen van de anderen heb ik vergeten. Deze Heeren Professoren hadden roode satijnen wijde toga’s aan, met boorden van wit bont, en roode mutsen op met een zwart en goud boord. Het examen ging niet gemakkelijk, zoodat de arme Candidaat het al vrij benaauwd kreeg. Ik bleef niet tot het einde, maar vernam naderhand, dat hij nog niet was aangenomen, en verpligt, zich aan een nader onderzoek te onderwerpen. In hoe verre het spreekwoord: ”een nieuwe Arts een nieuw Kerkhof,” gegrond is, zullen wij hier niet onderzoeken; doch zoo ’er al Doctors wezen moeten, doet men echter wel, van te zorgen, dat ieder zoo maar op zijn eigen houtje niet doctoren kan. Het merkwaardigste dat men in deze zaal ziet, is een metalen hoofd, levensgroot, verbeeldende dat van Hippocrates; het scheen mij, wat de teekening aangaat, keurig uitgevoerd. Men wil, dat het vele jaren geleden in of om Athene gevonden is, en van daar naar Rome vervoerd werd, waar het, tot de Pauselijke oudheden en kunststukken behoorende, door de Franschen gevonden en genomen, en eindelijk aan deze Universiteit gegeven is. Ik had het reeds, voor dat het examen begonnen was, van nabij bezien en bewonderd. Volgens sommige geschiedschrijvers, zou de geneeskundige Faculteit van Montpellier, reeds in 1220 zijn opgerigt; en men meent dat de Saracenen en Joden, die een groot deel van Montpellier uitmaakten, ’er de geneeskunde, die toen meerder vorderingen onder hun dan onder andere volkeren gemaakt had, bragten. De vermaarde Rabelais10 alhier in de geneeskunde gestudeerd hebbende, werd volgens oud gebruik, met een tabbaart bekleed, die men vervolgens de Tabbaard van Rabelais noemde, en waarmede men na dien tijd alle de nieuw aangenomen Doctoren bekleedde. Deze tabbaard was bij de Studenten in groote achting, zoo dat ieder doorgaans trachtte, om ’er een stukje tot een aandenken aftescheuren, en hier door, en door den tijd, was dit kleed eindelijk niet meêr bruikbaar, doch, zoo als het doorgaans met diergelijke dingen gaat, het werd meêr dan eens vernieuwd, en het laatste ging zoo wel voor een achtingwaardige oudheid door als het eerste. De geneeskundige Faculteit van Montpellier is nog beroemd, en vele vreemdelingen, en in vredestijd, bijzonder Engelschen, die hier om hun Guinjes dan ook zeer geacht zijn, komen dezelve raadplegen.—’Er was ook eens een tijd, dat onze Hooge Scholen zeer beroemd waren; vreemdelingen uit alle oorden vloeiden ’er toen in menigte naar toe,—en de naam, van Boerhaave klonk met roem de wereld door.—Helaas! waarop kunnen wij thans onzen hoogsten roem dragen?—misschien op ons taai geduld.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings