Note 9 — Veertiende Brief.
Reading edition
Heden den 27 stond ik weder vroeg op, want ik herhaal het, men moet, in deze warme landen, vooral van den morgenstond gebruik maken, en ging eene wandeling buiten de stad doen. Het eerste dat mijne aandacht trok was een wol-bleekerij; de wol gewasschen zijnde werd op het veld uitgespreid, en met netten overspannen, om het verwaaien te beletten. Hier omstreeks heeft men ook eenige wasch-bleekerijen. Immers leverde dit ook in ons land een aanzienelijken tak van bestaan op; doch zal zekerlijk door de ongelukkige tijdsomstandigheden ook al veel verminderd zijn. Verder voortwandelende, zag ik nog meêr wol wasschen in een riviertje dat men hier le Lez noemt, de velden langs, en bij dit riviertje gelegen, waarop men de wol droogt, worden in het Patois, lous Pras de la Lana9 genaamd. Naar ik vernam, is deze wijze van de wol te zuiveren, hier reeds van ouds een voornaam bedrijf, en levert een’ aanzienlijken handel op; men maakt hier ook wollen dekens. De wandelingen beteekenen niet veel. Hier en daar op de hoogtens heeft men wel fraaije gezigten, en treft nu en dan nog al fraaije tuinen en buitenplaatsen aan; maar het lommer, dat lieve lommer, ontbreekt genoegzaam overal. Getroost u dan, Vriend! veroorloven uwe beroepsbezigheden u niet, om buiten ’s lands te reizen, gij woont in het midden van de aangenaamste wandelingen, en ik verzeker u, dat ik nog nergens zulk eene aangename en bevallige verscheidenheid daarvan aangetroffen heb, als men rondom Haarlem vindt. Balsamique en aromatique kruiden en planten groeijen hier omstreeks veel, en worden door de reukwerk-bereiders (parfumeurs) ter dezer plaats woonachtig, wier waren, zoo als gij weet, ook onder ons beroemd zijn, in eene groote hoeveelheid gebruikt. Bij het inkomen van de stad bood mij een aardig meisje lekkere muskadelle druiven, voor den geringen prijs van drie sols het pond, te koop aan; zij had ’er versche broodjes bij; ik kocht van het een en ander, en zette mij op een’ bank, die niet ver van hier stond, neder, daar ik het voor mijn ontbijt met smaak opknapte; want in dit opzigt val ik in ’t geheel niet verlegen. Dat de mist hier niet overvloedig zijn moet, blijkt; want niet alleen paarden-, maar allerlei soort van straatmist wordt hier langs de straten en wegen, zoodra het ’er maar nedergeworpen is, opgeraapt, en op ezels geladen; eens zelfs zag ik twee jongens elkanderen bijna in het haar zitten, om een hoopje paardenmist. Deze mist dient dan ook voor den land- en tuinbouw, en niet zoo als bij ons, om aan vreemden te verkoopen.—Hier aan kan ik toch nooit denken, zonder mij te ergeren.