Note 7 — Veertiende Brief.
Reading edition
Hier over peinzende, ging ik de stad weder in, want het begon reeds warm te worden; en vervolgens, na wat ontbeten te hebben, de Protestantsche Kerk (Temple de Protestants) zoo als men die in Frankrijk noemt, opzoeken: want het was zondag, en ik wist, dat hier vele inwoners tot dat Geloofsgenootschap behoorden. Deze Kerk staat in een der voorsteden le Faubourg de Lattes genaamd, voorheen behoorde zij ook tot een Klooster; inwendig is dit gebouw zeer netjes opgemaakt, en ’er is een fraaije zaal voor den Kerkenraad. De tafel voor het Nachtmaal blijft altijd in de Kerk staan. Zij bestaat uit een’ marmeren blad, op twee, naar den antieken smaak, gewerkte schragen van gemarmerd hout. ’Er was geen orgel, doch men zong ’er redelijk wel, ten minste schreeuwde men ’er zoo vervaarlijk hard niet, als doorgaans bij ons. De Gemeente was vrij talrijk, en scheen met aandacht te luisteren naar een goed en eenvoudig zedelijk Vertoog, dat door den leeraar zonder veel omslag of pedanterie, duidelijk werd uitgesproken, en dat niet langer dan een half uur duurde. De Diaken, welke aan de deur stond, en dien ik bij het uitgaan mijn aalmoes reikte, boog het hoofd, zeggende: Que Dieu vous le rende! Zoo hier als te Nismes, zag ik verscheiden Roomschgezinden, (zoo het scheen; want zij maakten tusschen beiden een kruis) den Godsdienst van het begin tot het einde bijwonen.—Met hoe veel genoegen zag ik dit bewijs van broederlijke verdraagzaamheid. Voor aan de straat was men bezig, om deze Kerk met een fraai portaal van gehouwen steen te versieren; het was reeds aanmerkelijk gevorderd: op dezelve staat ook een torentje met een klok, en men luidt ’er eveneens als te Nismes, bij het aangaan van den dienst7. Van hier ging ik de Hoofdkerk bezigtigen; zij is, zoo men wil, door Paus Urbanus den V., die in 1370 gestorven is, gebouwd. Het portaal bestaat uit twee torens met een gewelf ’er tusschen, en gelijkt eerder naar den ingang van een vesting- of ridderslot, dan naar dien van een Kerk, Boven het koor staat nog een fraaije en hooge toren. Inwendig is zij ruim, vrij licht, en naar het schijnt onlangs opgemaakt. Het merkwaardigste, dat men hier ziet, is het groote en vermaarde schilderij van Bourdon, in deze stad geboren. Dit schoone stuk is aan het eind van het koor geplaatst, en verbeeldt Simon den Toovenaar, zijne kunsten voor Keizer Nero, in tegenwoordigheid van Petrus en Paulus, doende. Hij wordt door de duivelen, want die moeten toch altijd in het spel komen bij soortgelijke dingen, in de lucht opgeheven, enz. De hoofden van St. Pieter en St. Paulus, worden bijzonder in dit stuk bewonderd. Bourdon heeft ’er ook zijn eigen afbeelding (portrait) in gemaakt, en is te erkennen daar aan, dat hij naar de aanschouwers gekeerd is, en ook eenigzins een moderner voorkomen heeft8. Het stuk kwam mij voor wat hoog geplaatst te zijn, doch heeft een goed licht. Aan beide zijden van hetzelve ziet men twee andere groote schilderijen; verbeeldende insgelijks geschiedenissen tot die van St. Pieter en St. Paulus behoorende; want St. Pieter is de patroon van deze Kerk; deze stukken schenen mij ook wel bezienswaardig te zijn; doch wie ’er de meester van was, wist men mij niet te zeggen. Van de Kerk sprekende, moet ik u eene afschuwelijke gebeurtenis verhalen, die hier in vroegere eeuwen plaats gehad heeft. Een der Bisschoppen van Maquelone, voorheen eene aanzienlijke, doch thans vervallen stad, niet ver van Montpellier, willende omtrent het jaar 1250, zijne onderhoorige Geestelijken, die vrij zedeloos en losbandig waren, tot het betrachten van hun’ pligt terug brengen; besloten deze monsters om zich van zulk een’ strengen zedemeester te ontdoen, en vergiftigden ten dien einde de hostie, die hij moest gebruiken om te communiçeren; zij bereikten maar al te wel hun oogmerk, want de redelijke Bisschop overleed wel dra aan de gevolgen van het vergift. Hoe gruwelijk deze moord op zich zelven ook reeds zijn moge, in het oog van Roomschgezinden vooral moet zij allerafgrijsselijkst wezen.