Note 6 — Veertiende Brief.
Reading edition
De morgenstond schoon zijnde, wandelde ik weder naar de akkers terug; onder aan de bogen van de Aquaduc tegen den zonkant, zag ik verscheidene hagedissen, die overal in het zuiden van Frankrijk zeer algemeen zijn, doch nergens zag ik ’er meêr bij elkanderen dan hier; sommige zijn wel een span lang, doch zij doen hoegenaamd geen kwaad. De grond, hoewel van natuur schraal, levert, door de bewerking en bemesting, echter akkers, konstweiden, meestal van Lucerne-klaver, en moestuinen, op; deze laatsten moet men gedurig bevochtigen, en dat geschiedt op de volgende wijze: bij de meeste tuinen is een put gegraven, die eene vrij wijde opening op een heuveltje heeft; digt bij deze opening is een rosmolen, waarin een paard of muilezel loopt, en door de gewone werking van die molens, een redelijk breed rad in den mond van de put verticaal beweegt. Aan dit rad hangt een soort van touwladder, waaraan verscheidene aarden potten of kruiken onder elkanderen geplaatst zijn6, deze ladder los om het rad hangende, gaat dezelve door de draaijing op en neder, zoo dat de onderste kruiken water scheppen, en de bovenste het uitstorten in een bak tegen de put geplaatst, uit welken bak het dan door een buis of buizen afloopt in den tuin, door groeven ten dien einde gemaakt, dezelve overal bevochtigende, en langs en op de bedden loopende. Deze wijze van begieten zou in de Meijerij van den Bosch, en andere hooge landen bij ons, ook zeer wel te pas komen, en scheen mij toe, de put gegraven zijnde, niet zeer kostbaar te zijn. De groentens in soorten stonden daar dan ook vrij frisch. Anders ziet men hier omstreeks weinig vrolijk groen; de vale olijfboom, de wijnstok en de moerbeziënboom, die in de lente, en het begin van den zomer schier bladerloos is, omdat het blad voor de zijwormen geplukt wordt, deze zijn het, die men in een groot deel van Provence en Languedoc het meeste aantreft, en men mag onze Vaderlandsche vlakke gronden eenzelvig noemen; zij hebben een veel weelderiger en aangenamer voorkomen, dan de landen, die men over het algemeen in het zuiden, en zelfs in het grootste deel van Frankrijk, dat ik gezien heb, vindt. Wat is het bovendien aangenaam, dat men zoo vele goede en nuttige dieren, zoo vrij en vrolijk in de weide ziet omspringen en huppelen; hier zijn zij bijna altijd onder het juk of op de stallen, als in eene gevangenis opgesloten. Bij ons geeft een koe hare melk, en leeft althans zomers genoegzaam volkomen in haren natuurstaat, zij ziet ’er gezond en vrolijk uit, terwijl hier het magere kwijnende koeitje, dat ’er doorgaans morsig uitziet, op den stal vermuft, of zelfs nog wel een kar moet trekken. Bij ons spant de landman ’s avonds zijn paard uit, en brengt het naar de weide; daar loopt het vrolijk heen, rolt zich in het lange gras en vergeet zijne moeite en arbeid; het heeft ook zoo wel als de mensch zijne rustdagen. In ons Vaderland gebruikt men de dieren, ten minste op het land, en vooral daar overvloedige weilanden zijn, om zoo te spreeken, als bedienden—hier zijn het ellendige slaven.—Ja, Vriend! wat men ’er ook van zeggen moge, ons Land is in alle opzigten een land waar Vrijheid en Welvaart wonen willen! en God geve, dat wij het toch eindelijk onder elkanderen hierin eens mogen worden, om met vereende kragten alles in het werk te stellen, tot handhaving van onze vrijheid en onafhankelijkheid, en alzoo tot bevordering van ons wezenlijk heil; want zonder vrijheid kunnen wij veel minder dan andere landen bestaan; zij is immers genoegzaam onafscheidelijk aan onze Vaderlandsche bodem verbonden? en wee ons! indien wij haar van daar, door schandelijke onverschilligheid en gebrek aan Vaderlandsche deugden, verjagen.