Note 4 — Twintigste Brief.
Reading edition
Antoine kwam ons heden morgen, omstreeks zes uren, afhalen, om ons naar een plaats omtrent een uurtje ver, waar men op eene zonderlinge wijze woudduiven ving, te geleiden. Deze plaats is aan den overkant van de Adour op een hoogte. Die wandeling is zeer aangenaam.—De lucht was een weinig bewolkt, zoo dat de top van de Pic du Midi bedekt was; doch in het verrukkelijke dal van Campan was het helder. Aan de plaats gekomen zijnde, waar de ongelukkige duiven moesten verschalkt worden, zagen wij daar een rij zeer zware eiken- en beukenboomen, op eenen genoegzamen afstand geplaatst, om ’er netten tusschen te kunnen hangen; een eind weegs verder op de vlakte, stonden langs dezelven, op zekeren afstand, drie bij elkanderen gevoegde staken, naar het mij voorkwam 80 à 100 voeten hoog. Van onderen stonden zij wijd van een, om daar door stevigheid te hebben, en kruisten boven aan, zoo dat zij daar door de drie punten een soort van mik maakten, hier waren rondom eenige latten tegen geslagen, en ’er was een bankje in gemaakt, moetende dienen, tot een zitplaats voor een man. Tegen een van de staken had men klampen of sporten gemaakt, om naar boven te klimmen. Wij waren ’er niet lang, of de vogelaars kwamen met hunne netten, en hingen dezelve tusschen de boomen op; het is eene soort als die, welke bij ons onder den naam van flouwen bekend zijn. Eenige lieden klommen ieder in een mik, en de anderen stelden zich beneden op hunne posten. De woudduiven, met scholen van het oosten naar het westen trekkende, kijken de lieden die boven zijn uit, of zij ’er zien aankomen, en zoodra zij tusschen hen en de netten in zijn, smijten zij ze een soort van houten kruis, dat een roofvogel moet verbeelden na, en maken daar bij een sterk geschreeuw. De duiven hier door verschrikt, en willende den gewaanden roofvogel ontduiken, dalen eensklaps in haar vlucht, en vliegen verbijsterd in de netten, die de anderen, die ’er bij zitten, op haar laten vallen; diergelijke netten hingen ’er omtrent 10 à 12; en ’er stonden drie mikken waarin menschen zaten. Naar men mij verhaalde, vangt men hier somtijds tot 200 duiven daags. Heden echter was de vangst in ’t geheel niet voordeelig, doch het was ook nog wat vroeg in den tijd. Men begint ’er omtrent half September eerst mede, en het duurt tot in het begin van November. Verder op hangt men dan ook meer netten, en ’er staan nog verscheidene mikken. Deze plaats wordt la Foret de Gerde4 genaamd, en de vogelbanen noemt men pantières.