Note 1 — Tweede Brief.
Reading edition
De poort, waar wij in gekomen waren, scheen mij bezienswaardig. Onze Herberg was ’er niet ver van daan, en ik was dan naauwelijks van den wagen afgestapt, of ik ging dezelve bezigtigen. Het is een fraaije eereboog van wit gehouwen steen, in het begin van de Omwenteling voor de Vrijheid opgerigt, zoo als het opschrift boven dezelve aanduidt. Zij wordt dan ook nog la porte de la Liberté genaamd. Aan den binnenkant, en aan beide zijden, leest men op steenen tafelen: ”Les droits de l’homme reconnus le 30 Septembre l’an I. de la Liberté (1739) etc.”1 De basreliefs hier op toepasselijk zijn van den Beeldhouwer Attiret, in dit Departement geboren, en kort voor onze aankomst gestorven. Even buiten deze poort ziet men een’ fraaijen tuin in den Engelschen smaak aangelegd, en die thans ook voor een gemeene wandeling strekt: men noemt denzelven le Jardin de l’Arquebuse; bij ons zou men het de Schutters Doelen noemen. Het merkwaardigste, dat ik daar zag, was een populierboom van eene zeer ongemeene dikte, men kan hem op de hoogte van de schouders naauwelijks met vier persoonen omvatten: onder aan den grond is hij nog veel dikker, en daarbij zeer hoog, en zwaar van takken, doch in de toppen is al veel dood hout, en mij dunkt, dat men wel zou, doen om hem intekorten, ten einde door dit middel eene zoo aanzienelijke gedenkzuil der Natuur nog langer in wezen te houden.—Een oude boom heeft voor mij iets eerwaardigs, en ik zie dien veel liever dan zoo vele gedenkteekenen voor de dwinglandij of het bijgeloof opgerigt, die niets merkwaardigs opleveren—dan oudheid.