Note 8 — Twaalfde Brief.
Reading edition
Den 20 dezer, ’s morgens om twee uren, vertrokken wij van Aix, en namen denzelfden weg, dien ik gekomen was tot Orgon. Hier kwamen wij omstreeks 9 uren, en hadden ’er een vrij goed ontbijt, waar onder schapenvleesch, dat ik maar zeldzaam zoo goed gegeten heb; de wijn, voor wijn van dit land, was voor mij ook nog al drinkbaar. In plaats van nu den weg te nemen naar Avignon, namen wij die van St. Remy. Even buiten Orgon aan de regterhand, zagen wij een poort in een rots gemaakt, het was een waterleiding om deze landstreek te besproeijen, zijnde een arm van de rivier la Durance, waar ik u reeds van gesproken heb. Men verzekerde mij, dat het gat in de rots gemaakt, omtrent 300 toises (1800 voeten) lang is. Het werd le Canal de Boiselin genaamd, en was nog niet geheel voltooid. De landstreek werd nu minder rotsachtig, vruchtbaarder en bevalliger. Wij reden door het dorp St. Remy, twee posten van Orgon, en hadden hetzelve reeds een goed eind weegs achter den rug, toen men mij herinnerde, dat daar digt bij eenige overblijfsels van oudheden, zoo als van een zegeboog ter eere van Nero Claudius Drusus, zoo men meent, en van een praalgraf, ook door de Romeinen opgerigt, te zien waren. Dit verzuim speet mij zeer, doch ik kon niet weder terug keeren; vooral ook, omdat ’er onder onze reizigers waren, die grooten haast schenen te hebben. Bij een plaatsje dat men l’Orade noemt, zag ik eene zeer aangenaame buitenplaats, door een klein riviertje besproeid, en digt beplant; het hout stond ’er zeer tierig, en maakte een bevallig lommer; dit valt bijzonder in het oog, als men eenigen tijd in de schrale en steenachtige landstreek van Marseille heeft doorgebragt. Hier groeiden langs den weg vele van die planten, die men bij ons in sommige tuinen wel aangekweekt, en spring-komkommers noemt; omdat, als men ze rijp zijnde afplukt, ’er een straaltje vocht uitspringt. l’Orade is nog 3/4 uurs van Tarascon, eene zeer oude stad, twee posten van St. Remy, en dus in ’t geheel 14 posten van Marseille. Voorheen behoorde zij tot la Basse Provence, thans tot het Departement les bouches du Rhone. Welk eene menigte kleine windmolens ziet men hier aan den weg, digt bij de stad. Ook wordt hier omstreeks nog al wat koren geteeld; onder weg had ik boeren gezien, die, bezig waren met het graan te zuiveren, niet met een wan- of kafmolen, maar door het, met een schop, in de hoogte te werpen terwijl het redelijk woei. Op die wijze stoof dan het kaf weg. De poort aan dezen kant ziet ’er nog al wel uit, doch het stadje zelve scheen niet veel te beteekenen. Men wil dat Tarascon of Tarasco, van een Grieksch woord, dat verschrikken of bang maken beteekent, afkomstig is; ook plagt men hier in de Kerk een draak te vertoonen, Tarasquo geheeten, die volgens een oud sprookje zich in de Rhone ophield, en veel schrik en verwoesting hier omstreeks aanrigtte; want hij leefde van menschenvleesch, en was een toovenaar, die nog al een vrouw en kind had; men verhaalt ’er eene menigte allerbeuzelachtigste vertelseltjes van, die hier echter bij zeer velen voor evangelie werden aangenomen, en misschien nog wel geloofd worden, want de religie had ’er, zoo het scheen, zijn zegel aangehecht, en wat gelooven de menschen dan al niet!—Althans op St. Martha’sdag werdt de beeldtenis van dien lelijken draak, plegtig in proçessie door de stad gedragen, om dat die sanctinne door hare gebeden dit monster ten onder gebragt had. Deze proçessie ging nog kort voor de omwenteling. Het Gasthuis (l’Hospital), dat men even buiten de stad ziet, is een aanzienelijk gebouw. De vrouwen hebben hier een bijzonder hoofdtooisel, bestaande in een gekleurde gazen doek, die zij over hun muts doen, zoo dat de rand daar van haar op het voorhoofd en om het aangezigt hangt, zoo als de kanten, die de vrouwen elders aan hare mutsen hebben. De menschen zien ’er hier vrij gnap en gezond uit, ook wordt deze landstreek, die vrij vruchtbaar is, voor gezond gehouden. Aan den kant van de Rhone ligt een groot en sterk kasteel; men meent, dat het door een der Graven van Provence in de 15 eeuw gebouwd is; het maakt geen onaardige vertooning; en men moet ook van de terrassen op hetzelve een aangenaam gezigt hebben. Van Tarascon gaat men over een lange schipbrug, die over de Rhone ligt, naar Beaucaire; thans ligt ’er bijna midden in de rivier een eiland, waar men een gestrate kade op gemaakt heeft, voorheen schijnt ’er dat niet geweest te zijn; want een oud spreekwoord zegt: Entre Beaucaire et Tarascon il ne pait ni vache ni mouton. Men gaat over dit eiland een eindje tot aan een tweede schipbrug, en daar over tot Beaucaire. Op deze schipbruggen, waarop ook hier en daar banken staan, en die vooral bij de aangename zomeravonden, tot een gemeene wandeling verstrekken, heeft men een alleraangenaamst gezigt op de rivier, welke hier vrij breed is, en op de twee steden; men betaalt een sous voor de passage, en die is vooral met de vermaarde kermis (foire) van Beaucaire zeer druk; zij was nog maar sinds omtrent 14 dagen geëindigd8, en wij zagen ’er de lootsen nog staan. Voorheen was deze kermis of jaarmarkt in de stad, doch van tijd tot tijd toenemende, was men reeds voor vele jaren verpligt, om dezelve op het open veld, buiten de stad, langs de Rhone, onder tenten te houden; thans slaat men daar, zoo wel om de kooplieden te herbergen, als om de goederen te plaatsen, lootsen op. Volgens het groot aantal, dat wij ’er zagen, moet deze jaarmarkt al zeer aanmerkelijk wezen; het gelijkt een gansche stad met houten huizen. De koophandel, die hier dan gedreven wordt, is zeer belangrijk, en men zegt, dat ’er verscheidene millioenen omgaan; ook komen ’er niet alleen kooplieden uit de voornaamste plaatsen van het zuidelijk deel van Europa, maar zelfs Turken, Arméniërs, Marokkanen, enz. en men vindt ’er allerlei soorten van goederen en koopmanswaren. Men heeft ’er dan ook eenige openbare vermaken, en de dobbelspeelders laten niet na, om op de beursen der kooplieden te komen azen. Dit jaar had ’er de sterke en aanhoudende regen veel schade aan toegebragt. In 1721 en 1722, toen de pest in deze landstreek heerschte, is deze kermis twee jaren opgeschort geweest; anders schijnt zij in alle tijden en omstandigheden geregeld plaats te hebben gehad; en la foire de Beaucaire, is niet minder beroemd in Frankrijk, Spanje, Italië, Zwitserland enz. dan in Duitschland, en het noordelijk deel van Europa, de Frankforter en Leipsiger missen. De gelegenheid van deze stad aan de Rhone, niet ver van de Middellandsche Zee, gaf zeker aanleiding tot die aanmerkelijke markt. Men kan echter de goederen niet dan met groote kosten de rivier opvoeren, en het vervoeren moest grootendeels per as geschieden; doch men is sedert eenigen tijd bezig, om eene vaart te graven, die de Rhone bij deze stad, met het kanaal van Languedoc moet vereenigen, en dit zal den handel van dezelve een zeer groot voordeel toebrengen. Men wees mij de plaats aan, waar die vaart in de Rhone moet uitloopen; ’er werd zeer druk aan gewerkt, om dat men wil, dat dit nuttige ontwerp binnen weinig tijd zal volvoerd worden. Buiten de kermis is het hier doodsch en naar. Voorheen was dit stadje het verblijf van den Intendant van Languedoc, waar onder het behoorde; wij reden voorbij het Hotèl, dat hij bewoond had, doch dat zag ’er ook al niet zeer voordeelig uit; thans wordt dit gedeelte van die Provincie, het Departement du Gard genaamd. Het is inderdaad te verwonderen, dat deze, naar het schijnt, voor den handel zoo wel gelegen plaats, geen welvarender voorkomen heeft; ik zag ’er geen een aanzienelijk gebouw, zelfs vindt men ’er, zoo als ik vernam, naauwelijks goede herbergen; trouwens buiten de kermis is ’er ook weinig vertier, zoo dat de inwoners grootendeels het gansche jaar leven van het geen zij, gedurende die weinige dagen, opzamelen. Aan de andere zijde, buiten de stad ziet men een uitgestrekt bosch van olijfboomen. Hier omstreeks ontdekte men in 1734 een gedeelte van den grooten weg door de Romeinen gemaakt, en die zich van Rome tot de uiterste grenzen van Spanje uitstrekte, zoo als uit de mijlpalen en opschriften, die men hier vond, blijkt. Die weg wordt bij de Fransche Geschiedschrijvers la Voie Aurélienne genaamd. Vervolgens ziet men van verre aan de linkerhand de oude stad Arles, voorheen plagt de postwagen Marseille naar Nismes daar door te rijden; doch sedert eenigen tijd is dat veranderd. Te Arles zijn ook nog eenige overblijfsels van Romeinsche oudheden, en onder anderen een fraaije Obeliscus te zien. De weg is hier vrij gelijk, en de grond schijnt tamelijk vruchtbaar te zijn. Hier ziet men velden met wijngaarden beplant, zoo ver het oog reiken kan; wat verder zag ik met vijf muilezels ploegen. Te Beaucaire was ’er iemand op den wagen gekomen, die, naar wij vernamen, een voornaam bankier was; hij toonde zeer wel zijn verstand te hebben, doch tevens een hevige Roijalist te zijn, ook verhaalde hij ons, dat de oorlog van Rusland en Zweden tegen Frankrijk onvermijdelijk, en de dood van den Hertog van Enghien daar de oorzaak van was, razende en tierende vervolgens in eenen adem tegen Bonaparte, de Jakobijnen, de Filosofen, de Romans, en zelfs tegen den Paus, en toen wij hem onder het oog bragten, dat Keizer Napoléon toch veel deed, waar over hij zeer te vreden behoorde te zijn, zoo als het herstellen der openbare wegen, het doen graven van vaarten enz. durfde hij wel antwoorden: “en waarom doet hij dat anders, als omdat hij wel weet, dat men geen vliegen met azijn vangt; en wat heeft Lodewijk den XIV. niet gedaan?”—Iemand antwoordde hem, dat door de groote ondernemingen van dien Vorst, de schatkist van Frankrijk ook een’ krak had gekregen, die men helaas! nog maar al te wel voelde; “en denkt gij,” zeide onze bankier, “dat Bonaparte het uit zijn eigen beurs betaalt. Men heeft reeds twee derde van onze fondsen geschrapt, wie weet wat ’er van dat overgebleven derde nog wordt?” Denk eens, Vriend! zoo veroorloven zich sommige Franschen over hun’ Monarch, en over het publiek crediet, in het openbaar, en in bijzijn van vreemdelingen, te spreken. Wij waren nog een’ goeden afstand van Nismes, toen wij reeds op een hoogte de Tour magne zagen. ’t Was ruim zeven uren, toen wij in die stad aankwamen. Van Tarascon tot hier is 3¼ post. Wij stapten af aan het Hotèl du Louvre, waar de postwagen ook ophoudt. Terwijl het heldere maneschijn was, ging ik nog dien zelfden avond het beroemde Amphithéater uitwendig bekijken—welk een groot en trotsch gebouw! Op de Cours, die op een terras hier digt bij is, wandelde veel volk; de avondstond was ook regt aangenaam.