Note 10 — Tiende Brief.
Reading edition
Heden morgen ging ik het Stads-Museum van schilder-, beeldhouwwerk, en oudheden bezigtigen; men heeft een gedeelte van een voormalig Klooster, aan den kant van de Boulevard, daar toe in gereedheid gebragt, of liever was men daar mede bezig; want de zaal, waar de beelden en oudheden moesten geplaatst worden, was noch niet gereed, en alles lag ’er nog overhoop. Ik zag ’er eenige oude steenen doodkisten of graftombes, eenige met beeldhouwwerk, anderen met Grieksche opschriften, kapiteelen van pilaren, bas-reliefs, een altaar met stierenkoppen, het bovenste gedeelte van een Isis-beeld met hieroglijphische figuren ’er op, van zwart steen, een groote Isis-kop enz. De voorname opzigter van deze verzameling was niet in de stad, zoo dat ik ’er niet anders van kon te weten komen, dan dat deze oudheden, meestendeels hier omstreeks, en onder anderen ook in de Abdij van St. Victor gevonden zijn, men verhaalde mij tevens, dat ’er onlangs Commissarissen van Parijs hier geweest waren, en het een en ander opgeteekend hadden; waarom men vreesde dat het een of ander stuk naar de hoofdstad wel eens zou kunnen vervoerd worden. Het altaar, het Isis-beeld, en de grafsteenen met Grieksche opschriften, zeker voor oudheidkundigen van waarde zijn; doch het kwam mij voor, dat ’er ook veel Gothisch werk onder het overige was. In de schilderijen-galerij zag ik eenige goede stukken, onder anderen een paar van Rubens, die ik meende te kennen; geen wonder; want, naar ik vernam, had men ze van Parijs gezonden; benevens een van van Dijck, en nog eenige anderen; ook zag ik ’er eenige fraaije stukken van Puget, en een paar groote schilderijen van Vien, de Vader; een bekend en nog in leven zijnde schilder te Parijs, lid van het Institut (ik weet niet of het nog national heet, dan of men het imperial moet noemen) en Sénateur; sommige andere stukken schenen van Kerken of Kloosters herkomstig. Digt hier bij, ik geloof dat het voorheen tot hetzelfde gebouw behoorde, is thans het Lyceum10 waarin een aantal jongelingen, op kosten van den lande, in de eerste beginzelen der wetenschappen onderwezen worden. Een van de opzigters of onderwijzers, die een hupsch en vriendelijk man scheen, liet ons het gebouw zien. Men kon merken, dat ’er een goed bestuur plaats had, en overal droeg het de blijken van zindelijkheid en orde, en dat is onder zoo een menigte jongelingen dan ook zeer noodzakelijk.