← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 6 — Tiende Brief.

Reading edition

Den 10 dezer ging ik de oude stad, die ik nog maar ter loops in oogenschijn genomen had, bezigtigen; en klom, aan het eind van de kaai aan de noordzijde, bij het Fort St. Jean, op de hoogte. Dit Fort kan men thans uithoofde van de tijdsomstandigheden, niet gemakkelijk van binnen zien; ook zeide men mij, dat ’er behalve, misschien voor vestingbouwkundigen, niets bijzonders te zien was. Lodewijk de XIV. deed deze sterkte, en de citadel St. Nicolas aan den anderen kant van de haven, in 1660 bouwen, om de stad wegens ongehoorzaamheid aan haren Gouverneur, de Hertog de Mercoeur, te straffen6. De haven wordt tusschen deze twee sterktens met eene ketting geslooten. Op de hoogte had ik een uitgestrekt gezigt in zee. De stadsmuren zijn hier op de steile rots gebouwd, die aan den voet door de zee bespoeld wordt. Ik zag eenige lieden, in het water staande, bezig om met een soort van houweelen, slijk uit de zee optedelven, daar zij insekten in zochten, die men hier gebruikt tot aas, om sommige zeevisch mede te vangen. Wat verder zag ik visschers in schuiten, bezig om met netten sardinen te visschen. Regt uit langs den stads muur gaande, kwam ik aan de plaats waar omtrent waarschijnlijk voorheen de tempel van Diana, die de oude Marseillanen bijzonder vereerden, stond. Ter dezer plaatse ziet men thans de Kerk de notre Dame de la Major, dat de Hoofdkerk is; volgens sommigen zou zij zeer oud zijn; anderen meenen te moeten veronderstellen, dat zij omtrent de 13de eeuw, althans niet veel vroeger, eerst zoo gemaakt is, als men ze thans ziet: het een en ander kan waar zijn. Althans de zes pilaren van granit, die men in dezelve ziet, meent men dat behoord hebben tot den tempel van Diana; anders is ’er niet veel bijzonders; het is een donker en onaangenaam gebouw, en men gaat ’er langs eenige trappen in, als in een kelder. Niet ver van hier, op eene plaats, die men Place de Linche noemd, veronderstelt men, dat de tempel van Apollo gestaan heeft, naderhand is daar de Abdij St. Sauveur gebouwd; en men heeft ter dezer plaatse eenige oudheden gevonden. Het Gasthuis, la Charité genaamd, dat wat verder op staat, schijnt een groot en fraai gesticht. Behalven verscheidene zeepziederijen, daar de bekende Marseillaansche zeep gemaakt wordt, zag ik hier ook een graauwpapier-fabriek, die nog al aanmerkelijk scheen. In dit gedeelte van de stad vindt men weinig gnappe huizen, het wordt meestal bewoond door het minstvermogende deel der burgerij. Men toont den vreemdelingen hier ook een oud huis, waar men wil dat voorheen het paleis der Roomsche Keizers was; voor hetzelve ziet men nog een ouden kop; doch wien hij moest verbeelden, wist men mij niet te zeggen, en ik vind ’er bij de schrijvers, die ik nagezien heb, niets van aangeteekend: mogelijk woonde ’er de Romeinsche Prefecten of Stedehouders, die ’er ’s jaarlijks van Rome naar toe gezonden werden, toen Marseille ophield een Republiek te zijn. Moede van het doorloopen, en op- en afklimmen van zoovele ongelijke kromme en in alle opzigten onaangename straten, keerde ik, toen het warm begon te worden, naar mijn logement; in het voorbijgaan zag ik nog een andere vischmarkt, Halle de la poisonnerie neuve, rustende op 20 Jonische kolommen, en volgens het bestek van den vermaarden Puget gemaakt. Hier is ook een Leessocieteit, in een fraai gebouw op de Canebière, Cercle de l’Union genaamd. De aanzienelijkste lieden van de stad komen hier bijeen, om de nieuwspapieren en andere periodique werken te lezen; in die zaal is het dan ook niet geoorlofd, om overluid te spreken, doch ’er zijn nog andere vertrekken, en in een derzelve staat een billard; als vreemdeling had men mij een kaartje gegeven, om hier, wanneer ik het goedvond, te gaan, en daar van maakte ik dan ook nog al dikwijls gebruik. Na den middag ging ik de kaatsbaan aan den kant van de boulevard zien, de Marseillanen schijnen daar liefhebbers van te zijn; want ’er was veel volk, het is op eene ruime open plaats, voor een gebouw dat voorheen een Klooster was; men kan ’er vrij ingaan, ’er staan stoelen en banken rondom, en men betaalt een of twee stuivers voor eene zitplaats. Ik zag ’er onder de spelers die al zeer vlug, sterk en handig waren; een onder hun muntte voornamelijk uit, hij was groot, sterk gespierd en welgemaakt, en had het voorkomen van eenen gladiator der ouden; want zij zijn bij dit werk, dat zeer vermoeijende is, luchtig gekleed; aan de hand, waarmede geslagen wordt, hebben zij een soort van houten koker, en hier mede worden de ballen, die van leder, en inwendig hol zijn (ballons),7 al zeer ver gekaatst. Bij ons moet ’er altijd bij diergelijke spelen braaf gedronken worden, doch hier zag ik niets gebruiken; tegen het vallen Van den avond scheidde men ’er uit, en ieder ging heen. Eenige zingende en dansende matrozen, die ik op de kaai ontmoette, herinnerden mij aan de bloeijende tijden van ons vaderland; zij zongen liedjes in het patois provencal. Op de Cours was veel volk; men wandelt daar tot laat in den nacht; want over dag is het te warm, ’er worden ook stoelen verhuurd zoo als te Parijs in de Tuillerien enz. De Marseillanen komen mij voor indedaad meêr levendig en vrolijk van aard te zijn dan de Parijsenaars, die zich zooveel moeite geven, om het te schijnen. Naar men mij verhaalde, waren zeer vele vermogende lieden thans op hunne landhuizen (bastides); ’s winters ziet men veel meêr beau monde in de stad, en naar men zegt, is de zamenleving voor alle smaken, en voor alle levensvakken ’er dan inzonderheid zeer aangenaam; vooral in vredestijd, wanneer hier eene aanhoudende toevloed van vreemdelingen is. In den schouwburg had men dezen avond gespeeld les etourdis, een aardig blijspel van Andrieux, (door onzen vriend van Walré in ’t Nederduitsch vertaald); dat ik te Parijs zeer goed had zien vertonen, en dan moet men het hier niet zien; naar hetzelve gaf men het bekende, ook in ’t Hollandsch vertaalde zangspel, Paul et Virginie; en dit beviel mij nog minder, ook heeft men in dezen schouwburg zeer weinig aan de vertooning, omdat de aandacht gedurig belemmerd wordt, en men de vertooners door het aanhoudend rumoer, dat ’er plaats heeft, dikwijls niet kan verstaan; want de kooplieden maken van deze zaal een tweede beurs; de jonge lieden komen ’er om over hunne liefdes-aangelegenheden te spreken, de geriefelijke juffertjes, om klanten op te doen; vele bejaarde dames, om wat te vitten en kwaad te spreken; en eenige liefhebbers, of die ’er zich ten minsten voor uitgeven, om hunne gevoelens over het stuk of de vertooners, aan elkanderen te vertellen; dit alles gaat vrij overluid, voeg daar bij het gedurig geloop van de gaande en komende in het parterre, en oordeel, hoe aangenaam dit moet zijn voor iemand, die komt, on het stuk te zien. In dit opzigt moet ik de Parijsenaars prijzen, de diepste stilte heeft daar in alle schouwburgen, waar maar eenigzins dragelijk gespeeld wordt, plaats; en men duldt daar niet, dat de aandacht der aanschouwers gestoord wordt8.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings