Note 1 — Tiende Brief.
Reading edition
Ons voornemen zijnde, om van hier een uitstapje naar Toulon en Hières te doen, gingen wij naar het stadhuis, om onze passen te laten teekenen, viseeren, daar dezelven maar tot Marseille gegeven waren. Onder het stadhuis, zoo als ik u gezegd heb, is de beurs, die men la loge noemt, het is een ruime zaal; dagelijks na den middag vergaderen de kooplieden daar in, en de onderscheide Oostersche kleedingen, die men ’er ziet, leveren voor lieden, die daaraan niet gewoon zijn, een vreemd verschijnsel op. Boven den hoofdingang van het stadhuis ziet men nog de overblijfsels van het fraaije Koninklijke wapenschild door Puget1, en ter zijde, van denzelfden meester, een bas-relief verbeeldende St. Charles de Borromæus, Aartsbisschop van Milaan, zorg dragende voor de pestzieken; beiden zijn van wit marmer, en voor meesterstukken bekend, doch aan het wapenschild is ’er weinig meêr van den bijtel van Puget overgebleven; men ziet hier ook nog drie andere basreliefs, aan beide zijden van den ingang zijn ’er twee, onder een van dezelve, waarop een Haan, heeft men na de omwenteling doen graveren: Le salut de la Republlque tient à la Vigilance, en onder een ander: au vainqueurs du dix Août. Men was bezig met den voorgevel van het stadhuis te herstellen, en schoon te maken. In het portaal van hetzelve tusschen de twee trappen, ziet men het Standbeeld van Bayon, bijgenaamd Libertad, omdat hij de stad bevrijdde, door den eersten Consul, Casauls, dien men beschuldigde van dwingelandij en t’zamenspanning met den vijand, omtebrengen, en Marseille aan Hendrik den IV., of voor hem aan den Hertog de Guise over te geven, hoewel de Spanjaarden reeds meester van de haven waren; dit voorval had plaats in 1595. Libertad en zijn broeder, die hem ondersteund had, werden voor dezen dienst beloond, en tot den adelstand verheven. Vijf jaren daarna wierd Hendrik de IV. zelve vermoord, en zijn moordenaar wierd op de verschrikkelijkste wijze gestraft. Zoo veranderen de omstandigheden dikwijls de zaken; trouwens, hier van hebben wij ook in onzen leeftijd de merkwaardigste voorbeelden gezien. In de groote zaal van het stadhuis moesten wij wel een paar uren wachten, eer wij met onze paspoorten klaar konden komen, omdat hij, die ze moest teekenen, afwezig was, dus had ik wel tijd, om de twee groote en fraaije schilderijen van Serre le Peintre, leerling van Puget2 te bezigtigen; deze twee stukken stellen de akelige tooneelen van die pest, die hier in 1720 en 1721 zoo verschrikkelijk gewoed heeft, voor. Deze Serre bekleedde ook met ijver en oplettendheid den post van Wijkmeester in zijne buurt, ten tijde van de besmetting, en was dus wel in staat, om de ellende naar het leven aftemalen. De eene schilderij verbeeldt le Cours (de algemeene wandeling), vol zieken en dooden, en de andere de plaats voor het stadhuis. Behalve den Ridder Rose, die zich in September 1720 aan het hoofd stelde van 100 Galeiroeijers, om de groote menigte onbegraven lijken, die bijna niemand durfde naderen, in kuilen met ongebluschte kalk te doen werpen, en ten dien einde het eerste de hand aan het werk sloeg, muntte in dit rampzalig tijdstip onder meêr anderen bijzonder uit, zekere Pierre Haristoy Caseneuve, geboortig van Béhaune, in het land van Béarn, hij was eerste Commies van de Levensmiddelen voor de Galeijen, en liet gewoonlijk de uitdeeling door zijne onderhorigen doen; doch daar de Galeijroeijers gelast waren, om de van de pest gestorvenen te begraven, en men dus alle reden had, om hen als besmetten te schuwen, dacht deze brave Commies, dat ’er welligt uit vrees nalatigheid in de uitdeeling zou kunnen plaats hebben, en deze ongelukkigen alzoo gebrek lijden; waarom hij het menschlievend besluit nam, om niettegenstaande het gevaar, altijd zelve bij de uitdeeling tegenwoordig te zijn. De regering, deze edelmoedige handelwijze willende erkennen, bood hem een jaarwedde van 1200 livres aan, doch de belangelooze menschenvriend bedankte ’er voor, hoewel hij in ’t geheel niet rijk was, en een talrijk huishouden had. De nakomelingen van dezen waarlijk edelen man bestaan nog heden, en de Marseillanen hebben niet nagelaten, om zijn’ naam, en die van meêr anderen, welke ten dien tijd in menschlievendheid en weldadigheid uitgemunt hebben, aan de vergetelheid te ontrukken. Een andere trek van edelmoedigheid van een’ Kaperkapitein van Tunis, is niet minder belangrijk en streelende voor gevoelige harten. Paus Clemens de XI. vernemende, dat in 1720 niet alleen de pest, maar ook de hongersnood in het ongelukkig Marseille heerschte, zond ’er van Civita-Vecchia ettelijke schepen met granen naar toe. Eenige Kapers van Tunis deze schepen najagende, achterhaalden dezelven, en namen ze, doch de Reis of Commandant vernemende, met welk oogmerk zij afgezonden waren; en welke hunne bestemming was, zeide tegen den schipper, die deze schepen met graan geleidde, zijne hand op het hoofd leggende: “Ga, Christen, voer uw’ last uit, ik ben uw vijand niet meêr—God zou mij straffen.” Dit laatste geval niet zeer algemeen bekend zijnde, heb ik vooral gemeend u hetzelve te moeten mededeelen.—De ziel van ieder redelijk menschenvriend wordt verkwikt door het hooren van diergelijke trekken.—En waarom verzuimt men, om deze daad ook op eene schilderij te verbeelden, en dat optehangen in deze zaal, waar dagelijks een menigte vreemdelingen komen van allerlei volkeren en waaronder zeer vele zeelieden: zulks zou immers kunnen strekken ter vermindering van haat en vooroordeelen, en zijn alle redelijke en verlichte bestuurders niet verpligt, om hiertoe alles, wat maar eenigzins in hun vermogen is, bij te dragen? De zaal van de Municipaliteit, voorheen van de Consuls (la salle Consulaire), is zoo wel als de groote zaal beziens waardig. Doch dat men de vreemdelingen hier zoo lang na hunne paspoorten laat wachten, is niet vriendelijk; men is daar te Parijs handiger mede.