Note 12 — Negende Brief.
Reading edition
Den 9 dezer, werd ik ’s morgens gewekt door een kanonschoot, die bij het openen van de haven van een der forten gedaan wordt. Ten vijf uren ging ik reeds uit, en alles was al in beweging. Ik klom op den berg, daar het fort notre Dame de la Garde op gelegen is; men heeft van daar een allerschoonst gezigt over de stad, de omstreken, en op de zee. Ten tijde, dat de Romeinsche legioenen zich hier bevonden, moet ’er een aanzienelijk bosch op dezen berg geweest zijn; oude schrijvers althans spreken daar van; thans is ’er niets, dat naar een bosch gelijkt, op te zien; de grond is dor en steenachtig. Hier omstreeks heeft men nog een anderen berg of heuvel, die men thans den berg Bonaparte (la montagne Bonaparte) noemt; men heeft pas een nieuwen weg gemaakt, langs welken men ’er zeer gemakkelijk opklimmen en omwandelen kan. In het opklimmen las ik op een bordje een verbod om de boomen en struiken op deze wandeling niet uit te rukken of te beschadigen—geene wet zal ’er beter nagekomen worden dan deze; want ’er is geen boompje of struikje op den ganschen berg te zien, en ik geloof niet, dat ’er ooit boomen of struiken, van eenig belang op zullen groeijen, omdat het genoegzaam niets anders is dan rots of stukken steen; boven op heeft men nogthans een allerverrukkendst gezigt, vooral ook in de haven en op den berg aan den overkant, waar tegenzich de huizen van de oude stad als een Amphitheater vertoonen. In de zee zag ik een enkel visschersschuitje; anders was het in deze, in vredestijd zoo drokke, zeehaven dood stil. Aan den voet van den berg, waar men denzelven opklimt, is een fraaije fontein met een Jonische kolom, waar op het borstbeeld van Bonaparte, van wit marmer; op het voetstuk dat met twee witte marmeren bas-reliefs pronkt, verbeeldende het eene eenige merkteekens van den koophandel, en het andere van den wijnoogst, leest men: A Bonaparte vainqueur et pacificateur Marseille reconnaissante12. Verder blijkt uit het opschrift, dat dit gedenkteeken onder het bestuur van den prefet Charles de la Croix, die, in Holland zijnde, zoo een groote voorstander scheen van een Demokratisch bestuur, is opgerigt. Dit alles is door een fraai ijzer hek omringd, en deze fontein staat aan het eind van een vrij lange pas beplanten laan, te weten aan iedere zijde met eenen rij boomen, die voor een algemeene wandeling moet dienen, makende alzoo eene fraaije vertooning. Langs de haven wandelende, zag ik, dat men daar bezig was, om met een werktuig, dat ik mij niet herinner van bij ons gezien te hebben, het slijk uittebaggeren; dit werktuig bestond uit twee groote baggerhaken, ten naasten bij zoo als die in het klein zijn, waar onzer baggerlieden mede arbeiden, zij worden door windassen, die bewogen worden door lieden, die in een rad loopen, bestuurd, zoo dat de eene telkens naar beneden, en de andere naar boven gaat; de scheppers van deze baggerhaken zijn van onderen met een klep, die met een klink sluit; deze klep opent men door middel van een haak, en loost zoo den modder in een schuit, die ’er onder ligt. Dit werktuig slaat op een vierkante bak of schuit, en ik zag ’er zoo verscheidene liggen. Dit schoonmaken van de haven is zeer noodzakelijk, om dat het slijk en de vuiligheid uit de stad ’er in uitloost, en ’er heeft geene doorspoeling plaats, daar het water altijd stil staat; want, gelijk gij weet, in de Middellandsche Zee gaat geen ebbe noch vloed. Het kan dan hier langs de haven, vooral als het heet is, wel eens onaangenaam rieken, zoo dat Marseille ook in dit opzigt eenige overeenkomst heeft met Amsterdam. Maar zeldzaam gebeurt het dat het water hier hooger of lager wordt, en dan is die verandering nog maar van weinig belang. De kaai is slechts weinige voeten boven water, zoodat men van daar gemakkelijk in de schuitjes, waar men mede overvaart, stapt. Indien de bovengemelde baggerwerktuigen bij ons niet bekend mogten zijn, was het dunkt mij der moeite wel waardig, dat men ’er onderzoek na deed, en ’er eene naauwkeurige afteekening van trachtte te bekomen; want immers zouden zij bij ons op verscheidene plaatsen met veel vrucht kunnen gebezigd worden. Ik dacht, dat de vette modder, dien men hier uitbaggerde, gebruikt werd, om de onvruchtbare steenachtige gronden, rondom deze stad te bemesten, daar de bemesting hier zoo schaars en tevens zoo noodzakelijk is; maar neen, men wierp die op eenen zekeren afstand van de stad in zee, en zelfs scheen men vrij algemeen staande te houden, dat deze slijk of modder in ’t geheel niet deugde, om de gronden te verbeteren. Dat dezelve in een of twee jaren de vruchtbaarheid niet bevordert, is zeer wel mogelijk, doch na verloop van eenigen tijd, ben ik wel verzekerd, dat zij op deze barre gronden, behoorlijk bewerkt zijnde, zeer nuttig moet zijn, en indien ik hier woonde, en de vereischte gelegenheid had, twijfel ik niet, of ik zou ’er met goed gevolg wel gebruik van weten te maken; doch ook in dit opzigt zijn verkeerde begrippen en kwade gebruiken niet gemakkelijk te veranderen. Zoo gaat het bij ons met de straatmest, asch enz. In ons vaderland hebben wij zoovele onbebouwde gronden, die slechts bemesting en matigen arbeid vorderen, om het een of ander, al was het maar dennenhout en aardappelen voorttebrengen. De deerniswaardige bewoners van onze zeedorpen vooral, lijden bitter gebrek, en vergaan hier en daar bijna van honger, en ondertusschen twijfel ik niet, of men vervoert altijd nog de straatmest, asch enz. uit den Haag, Leijden, Haarlem, enz. naar Braband, in plaats van ze door die ongelukkigen te laten weghalen, om ’er de nabijgelegen duinen mede te bemesten, en ’er aardappelen, die ’er ongetwijfeld goed in groeijen, in te zetten. Ik weet wel, dat de bevordering van den landbouw en fabrieken, in ’t geheel niet met den algemeenen handelgeest in ons vaderland strookt; doch ik weet tevens ook, dat welke de redenen ook zijn mogen, die men tot staving van dat denkbeeld, als strookende zelfs met het algemeen belang, moge aanvoeren, dezelven althans in oorlogstijden, niets afdoen, en sedert hoe vele jaren, en hoe dikwijls is de oorlog, helaas! ons lot niet. In vredestijd brengt de koophandel, wel is waar, schatten aan, maar schatten maken ook de afgunst en begeerten onzer nabuuren gaande, en geven aanleiding tot weelde, en dus ook tot zedenbederf; daarenboven blijven deze schatten doorgaans maar in een gedeelte van het land in omloop, en verrijken maar een zeker aantal van deszelfs inwoners. De landbouw, en ook de fabrieken, te weten van kleeding en andere stoffen, die wij voor eigen gebruik noodig hebben, zijn minder voordeelig in het aanbrengen van rijkdommen, doch ook een zekerder middel ter algemeene verschaffing van het noodzakelijke, en alzoo ter behoeding van gebrek—zoo veel mogelijk onafhankelijk te zijn van de omstandigheden, is voor ons van vrij wat meer belang, dunkt mij, dan rijkdom, dien wij toch ook niet aanhoudend en rustig kunnen blijven bezitten; maar al dikwijls moeten wij zien, dat vreemden de vruchten van onzen, arbeid en spaarzaamheid inoogsten.—Dit althans, houde ik voor zeker, dat ook ten dezen opzigte de waarheid in het midden ligt, en het alzoo noch redelijk, noch staatkundig is, om den koophandel alleen, ten koste van de landbouw en fabrieken, te willen staande houden.—Wat zegt gij, Vriend! zijt gij het hier omtrent niet volkomen met mij eens?