Note 6 — Negende Brief.
Reading edition
Den 8 dezer, ging ik ’s morgens al weder zeer vroegtijdig uit. Aan den kant van de poort van Rome, zag ik verscheidene muilezels, die zeer aardig waren opgeschikt met groote pluimen op den kop, en hebbende aan het hoofdstel, onder andere sieraden, kleine spiegeltjes; zij hadden bellen of klokjes aan den hals, en een net met voedsel aan den bek; de koopmanschappen, die zij droegen, waren met een soort van tapijt gedekt, en de voerlieden van deze karavane schenen Italianen; alle die bellen maakten een aardig klokkespel. Ik zag ook een kudde melkgeiten, insgelijks met klokjes aan den hals, die een man door de stad dreef; de lieden, die melk noodig hadden, kwamen op het gebel buiten, zoo als bij ons, als de melkboer tweemaal belt; en ’er werd dan zoo veel gemolken als zij vroegen; dit is hier noodzakelijk, omdat de melk door de warmte zoo schielijk bederft; insgelijks staan de boeren ’s morgens hier en daar in de stad met hunne koeijen, die zij van tijd tot tijd, als ’er zich koopers opdoen, melken. Deze koeitjes zien ’er schraal uit, en geven niet veel; want tusschen de rotsen rondom Marseille en de Purmer of Beemster, is een groot onderscheid. De boter is hier dan ook zeer schaars, en die ’er nog is, ziet wit als onze hooiboter, en heeft min of meêr een’ ongelachtigen smaak. In de straat van Rome, aan den hoek van een klein straatje, voor het huis van een Apotheker, zag ik, dat men bezig was om aan een fontein te werken, men had daar onlangs een wit marmer borstbeeld opgezet; het stond op een voetstuk van blaauw marmer, doch ’er was nog geen opschrift op; de gevel van het huis van den Apotheker, die met beeldhouwwerk versierd was, werd tevens opgemaakt. Ik giste, dat hier de vermaarde Marseillaansche beeldhouwer, bouwmeester en konstschilder Puget gewoond had, en men zijn borstbeeld op de fontein plaatste; om hier zeker van te zijn, trad ik in de pillenvergulders-winkel, en bevond, dat ik het geraden had. Van stadswegen werd hier dat gedenkteeken, ter eere van dien te regt beroemden kunstenaar opgerigt. Met genoegen bespeurde ik, dat de Apotheker hier omtrent ook niet ongevoelig was, want hij zeide, met eene zigtbare tevredenheid: “Oui Monsieur! j’habite la maison du celèbre Puget.” Het beeldhouwwerk in den gevel was van den kunstenaar zelven, en men leest ’er: Salvator mundi miserere nobis6; en wat lager: Nul bien sans peine7. Het borstbeeld op de fontein scheen mij fraai uitgevoerd te zijn. Lof zij de regering van Marseille, die zoo doende de kunsten aanmoedigt.—Hier omtrent zijn wij Bataven ook ellendig achterlijk, en wat hebben wij een ruime stof! getuigen onder andere, helaas! de rijke buit van schilderstukken in het Museum te Parijs.—en waar vindt men bij ons een openbaar gedenkteeken ter eere van een eenigen van zoo vele roemruchtige kunstenaars, Hoe schadelijk is ook in dit opzigt die koude onverschilligheid, die verachtelijke slaperigheid onzer landgenoten niet!—Moeten wij ons niet schamen voor onze naburen de Engelschen en Franschen, zoo wel als voor de bewoners van sommige gedeelten van Duitschland, bij welke laatste de kunsten en wetenschappen, sedert naauwelijks een halve eeuw, zulke aanmerkelijke vorderingen gemaakt hebben; en waar anders door dan door een’ geest van Patriottisme en edelen National-Stolz: terwijl wij in zoo vele vakken schier dagelijks achter uitgaan. Ik weet wel, dat de tijden zeer ongunstig zijn, doch ik weet tevens, dat dit een des te sterker prikkel behoorde te zijn, om alles aantewenden, wat eenigzins strekken kon, om ’s Lands luister te herstellen, de kwijnende kunsten en wetenschappen, handwerken en fabrieken optebeuren, en daar door meêr en meêr zoo vele verstopte bronnen van onze welvaart te openen. Deze uitweiding zou mij haast doen vergeten, om nog het een en ander aangaande Puget te zeggen, dat ik toch doen wil, om u de moeite te sparen, van sommige schrijvers of woordenboeken te doorbladeren, daar ik uwe belangneming heb gaande gemaakt: weet dan, dat deze man hier in 1622 geboren werd, en geene geldmiddelen hebbende, genoodzaakt was, om zich op het een of andere kunst- of handwerk toeteleggen; hij wierd dan als kweekeling in de beeldhouwkunde, bij het Arsenaal dezer stad opgenomen; al spoedig maakte hij vorderingen, en zijn kunde ontwikkelde zich vooral in Italië. In 1653 kwam hij weder te Marseille terug; en na deze stad, Genua en Toulon, en de kunsten in het algemeen8, door zijn beeldhouw-, schilder- en bouwkunde aanmerkelijk te hebben verrijkt, stierf hij in 1694, en alzoo het 72 jaar zijns ouderdoms, in zijne geboortestad. Zijn zoon Francois Puget, was ook een goed schilder.