Note 9 — Eerste Brief.
Reading edition
Den 18 dezer begaven wij ons ’s morgens om 3 uren weder op reis. Na een eind weegs gereden te hebben, troffen wij vrij hooge heuvels aan; de wagen kon hier niet anders dan zeer langzaam vorderen, en wij verkozen, om te wandelen. Wel dra zagen wij die grootsche en schitterende vertooning, die ieder redelijk mensch met eerbied en bewondering vervult, en die zoo vreemd is voor zeer veel stedelingen. De zon rees statig boven den gezigteinder. De landstreek is hier niet zeer vruchtbaar; wijn is het voornaamste, dat men ’er teelt. Wij zagen hier en daar ook kreupelbosch en woeste onbebouwde streeken. Na twee posten gereisd te hebben, kwamen wij te Ancy-le-Franc. Het stadje ziet ’er ellendig uit; doch even buiten hetzelve ligt een schoon kasteel. Het scheen door de omwenteling niet geleden te hebben. Nicolo del Abate, leerling van Primaticcio, een vermaard schilder ten tijde van François I, heeft verscheidene vertrekken van dit kasteel versierd. Wij hebben het inwendig niet gezien, en vergenoegden ons met de tuinen, die hier en daar nog al aardig zijn aangelegd, te doorwandelen. Achter het huis scheen veel bosch te liggen, en het water ontbrak ’er ook niet; het kwam mij dus voor een aangenaam buitenverblijf te zijn. Voor mij zou het nog aangenamer wezen, wanneer ik het moest bewonen, indien het verder afgelegen was van het armoedige stadje, dat ’er voorheen aan behoorde, ten zij ik in staat was, om het lot van deszelfs inwoners te verbeteren. Thans behoort het kasteel aan de familie van Louvois, van hetzelfde geslacht daar ik hier van gesproken heb, en word door een vrouw van dien naam bewoond, ik weet niet of het de laatste vrouw en weduwe is van die Louvois, die te Parijs om zijn gaauwdievenstreeken bekend was9. Dit onder anderen verdient als een staaltje van het edel gedrag van een voornaam Fransch edelman aangeteekend te worden. Louvois had geld noodig, zoo als hem wel eens meêr gebeurde. Juist was de Courtenvaux, zijn oom, van wien hij moest erven, ziek, hij gaat zijn’ dood bekend maaken aan een man, van wien hij £ 30,000—wilde leenen, voorwendende dat hij dit geld noodig had voor de rouwkleeding, enz. overeenkomstig zijn’ staat. Men belooft hem de som, vragende slechts twee uuren tijd, om hem die te bezorgen. Daar hij zelf overtuigd was, hoe weinig staat men op hem maakte, begreep hij zeer wel, dat men in dien tusschentijd onderzoek zou doen. Hij loopt dan naar het Hotèl, waar zijn oom woonde; zendt den Zwitser onder het een of ander voorwendzel om een boodschap, gaat in de loge10, trekt het livrei aan, doet de sjerp om, en wachtte zoo, tot dat de tijd die men hem bepaald had, bijna verloopen was, en ieder, die naar den Heer de Courtenvaux vroeg, werd terug gezonden met deze boodschap: ”Hij is kwartier over tweeën gestorven.” Hier door bereikt de fielt zijn oogmerk; de gevraagde som word hem toegeteld, en ’s anderen daags verneemt men, dat de Courtenvaux welvarende was; en Louvois, die zeer wel wist, dat hij door zijn oom onterfd was, lagchte des te meêr in zijn vuist, wijl hij zich verzekerd hield dat hij de geleende som nimmer terug zou kunnen geven.—wat zegt gij, Vriend! zou Cartouche het wel beter hebben kunnen overleggen?