Note 15 — Drie en Twintigste Brief.
Reading edition
Daar het heden markt was op de plaats, bij de poort St. Julien, ging ik daar henen, om de boeren van de Landes (heigronden)15 welke op stelten loopen, te zien; digt bij de markt ontmoette ik ’er een, zijne stelten waren zoo hoog, dat hij wel drie voeten van den grond verheven was16; en door de wijde schreden, die hij daar mede deed, vorderde hij zoo sterk, dat men hem op een drafje loopende niet bijgehouden zou hebben; hij had een’ langen stok in de hand, om zich te ondersteunen; sommigen, naar ik vernam, gebruiken die ook, om zittende op te rusten, doch dan is hij korter en met eenen platten knop ’er op. De kleeding van dezen man bestond in een kort kamizool van rooden stof, met mouwen tot op de hand, en een ander wat langer en wijder met mouwen tot aan de elleboogen, van bruinachtig grof laken of pij ’er over; hij had een plat gebreid mutsje op van bruine wol (berette) zoo als de boeren van het landschap Bearn, waarvan ik reeds gesproken heb. Op de stelten stond hij blootvoets, en had om de beenen stukken schapenvel met de wol naar buiten, als een soort van slopkousen; in den winter of bij slecht weder, heeft hij ook een soort van overrok zonder mouwen van schapenvellen, met de wol naar buiten, aan. Onder aan hun stok en stelten is, in plaats van ijzer of koper beslag, een stuk van een ossenbeen gemaakt. Hunne haren kammen zij genoegzaam nooit uit, maar ontwarren die slechts met de vingeren, zij staan dan ook steil en als borstels van het hoofd af. De reden, waarom deze lieden op stelten loopen, is, om beter door de hoog en digt begroeide of zandige heiden, als mede over de sloten en groeven, die zich in hun weg opdoen, te kunnen komen, misschien ook om spoediger te vorderen; de herders17 op deze stelten staande, kunnen ook hunne kudde beter overzien. Om de stelten aan te binden, gaan zij doorgaans in hunne hutten op een hooge kas of op den schoorsteenmantel, die vrij hoog is, zitten; en in het veld zijn zij dikwijls verpligt, wanneer ’er zich geen heuveltjes of diergelijken opdoen, om op een boom of struik te klimmen. Hunne vrouwen maken zich eene soort van hoog opstaande kap, van twee of drie doeken als servetten; twee punten daar van zijn van achteren bij elkander gespeld; zij hebben een kort jakje aan, van de een of andere grove stof; overigens zag ik aan hunne kleeding niets bijzonders18. Deze menschen, naar ik vernam, zijn even als de bewoners van de hooge Pijreneën, het geen men ruw en onbeschaafd noemt, daar bij ook zeer bijgeloovig, zoodat men ze door een vertelling van weerwolven of spoken, ligter dan door geweld, zou kunnen verjagen; zij hebben ook hunne bijzondere zeden en gebruiken, doch zijn door de gemeenschap met de naburige steden, alwaar zij schapen, houtskolen, oesters19, wild, enz. ter markt brengen, veel verbasterd en bedorven. Zij staan in dit opzigt alzoo met de goede eenvoudige bergbewoners niet gelijk.