Note 6 — Drie en Twintigste Brief.
Reading edition
’s Avonds ging ik weder in den groote Schouwburg, doch niet meêr in het parterre; om door Talma de Othello van Shakespear te zien spelen. Het is een van de rollen, waarin hij uitmunt,—nimmer zag ik hem beter;—welk eene woeste en afgrijsselijke houding,—en zoo ziet ’er toch een mensch, door woedende driften vervoerd, uit.—Hij deed mij somtijds ijzen, en eene koude rilling gevoelen6. Deze verdienstelijke schouwspeler brengt het in dit vak vooral al ongemeen ver. Zijne vrouw speelde ook goed voor de minnares, en een van Hove, tot dit Tooneel behoorende, voldeed wel in de rol van den Vader, en schijnt een goed schouwspeler te zijn; echter was hij niet zeer vast in zijn rol. In het begin was ’er door het gedrang in het parterre, zoo een sterk geraas, dat de vertooning daar door tusschen beide werd verhinderd, zoo dat de vertooners een en andermaal moesten stilzwijgen, en dit is aan niets anders toe te kennen dan aan de verkeerde inrigting, die aan dat gedeelte der aanschouwers geen zitplaatsen vergunt. Naderhand werd het evenwel stilder. Talma en zijn vrouw werden ongemeen sterk toegejuicht; een lauwerkrans, als het hoogste blijk van genoegen, werd op het tooneel geworpen, en deze beide vertooners met algemeene stemmen gevraagd7. Les trois Frères Rivaux8 van la Font, werd door de Bordeauxsche schouwspelers ook vrij wel vertoond. Om meêr plaatsen te winnen, had men die van de muzijkanten voor de aanschouwers ingeruimd, en nog was het overal stikkend vol.