Note 4 — Dertiende Brief.
Reading edition
Na den middag zag ik verder, de stad doorwandelende, op sommige plaatsen onderscheidene oudheden, en sommige langs de straten in de muren van de huizen gemetseld. De arenden, waarvan men ’er verscheide ziet, zijn genoegzaam levensgroot van wit marmer, keurig gewerkt, hebbende een festoen loofwerk in den bek gehad, want de koppen zijn van alle afgeslagen; en in dit, zoo wel als in andere opzigten, zijn zij elkander gelijk, zoodat, als men ’er een gezien heeft, heeft men ze alle gezien; zij hebben waarschijnlijk gediend tot sieraad van hetzelfde gebouw, en zijn onder de puinhoopen van het oude Nemausus (Nismes) gevonden. Op de plaats van het Stadhuis ziet men ook zoo een arend. Dat gebouw is ook bezienswaardig; maar het geen ik vreemd vond, is, dat ’er boven in een groote zaal verscheidene opgevulde krokodillen, waar onder die al vrij groot waren, aan den zolder hingen, omdat zulk een dier tot het wapen van de stad behoort4. Onder sommige derzelve leest men, wie ’er de gevers van zijn. Ter plaatse waar thans de Hoofdkerk, een oud Gothisch gebouw, staat, meent men dat voorheen een tempel stond, aan Keizer Augustus gewijd; want men had, zoo als gij weet, dien Vorst in den rang der Goden of Halve-Goden geplaatst5. Deze meening is gegrond op de oudheden, die men hier gevonden heeft. Men was druk bezig met deze Kerk optemaken, en ’er werden schoone marmeren platen en diergelijke versierselen toe gebruikt. Ik zag ’er ook in een Kapel, aan de regterhand, als men de groote deur inkomt, een fraai, doch eenvoudig gedenkteeken van wit marmer, en las op hetzelve: Ci git F. J. de Pierre de Bernis Cardinal-Evêque de la S. E. R. & mort à Rome le 1 Novembre 1794, deposé dans cet eglise par les soins de ses neveux l’an IX. R. J. P. (Requiescat in pace)—en ik herhaal dezen wensch, dat hij in vrede ruste!—want hij was een menschenvriend, een beminnaar en beoefenaar der schoone wetenschappen, door zijne vrienden geacht, en vooral in zijn Aartsbisdom als een redelijk en weldadig man algemeen geliefd en als een vader geëerd. De rivier le Tarn, die door die landstreek loopt, had door eene overstrooming vreesselijke verwoestingen, in een gedeelte van hetzelve aangerigt; de ellende der landlieden was groot—en wie troostte hen, wie kwam hun in deze akelige toestand zoo krachtdadig te hulp?—wie anders dan de goede de Bernis6. Dit geval was mij bekend7, en ik zag dan ook met veel genoegen deze tombe. Zij bestaat in een verheven graf (sarcophage) waarop een kussen fraai van marmer gewerkt, en daarom een vergulde rand en kwasten; boven hetzelve aan het gewelf van de Kapel hangt de roode Kardinaalshoed, met de daar aan behoorende strikken en kwasten. Voor de Kapel is een eenvoudig ijzeren hek, anders zag ik in deze Kerk niets bijzonders; doch ik ontmoette ’er denzelfden Monnik, dien ik tusschen Marseille en Toulon gezien had; ik sprak hem aan, en vragende, waar hij van daan was, vernam ik, dat hij in een Klooster in deze landstreek had gewoond, en behoorde tot de order de la Merci, dat is, om de Christen-slaven vrij te koopen, doch dit ging zoo ver, als het voeten had. De man was oud en arm, ik was hem dus een aalmoes schuldig, die ik hem dan ook in de hand stopte.—Waarom laat men, dacht ik, in plaats van zoo een mensch hier te laten rondzwerven, hem niet liever zijn Monnikspak, dat ’er zeer smerig en versleten uitzag, uittrekken, bezorgende hem vervolgens in een oude Mannen- of Gasthuis, on daar zijne dagen te eindigen.