← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 2 — Dertiende Brief.

Reading edition

De breede straat, waar aan het Amphithéater aan den eenen kant uitkomt, doorgaande, ziet men aart het eind derzelve, ter regterhand, den fraaijen Tempel van Cajus Cæsar, dien de Franschen den zoo onbeduidenden naam van Maison Carrée hebben gegeven. Te regt is dit schoone gebouw, om zijn nette en bevallige bouworde, die zelfs den minstkundige in het oog moet loopen, beroemd; het wordt dan ook voor een der uitnemendste gedenkstukken, die de oudheid ons heeft nagelaten, gehouden. In ’t geheel is het 12 toises (72 voeten) lang, en 6 toises of 36 voeten breed, en rondom versierd met 30 geribde Corinthische kolommen, en de kapiteelen van deze kolommen worden voor schier onnavolgbare meesterstukken gehouden; men gaat ’er in langs 12 trappen. De Afbeelding vertoont u hetzelve, zoo als men het nog tegenwoordig ziet. Inwendig is ’er niets bijzonders; ten tijde van Lodewijk den XIV. maakte men ’er een Kerk of Kapel van, waar voor het dan ook tot de omwenteling toe gediend heeft. Van hier gaat men langs een fraaije gracht, aan den kant met boomen beplant, en die wel wat heeft van sommige grachten in onze Vaderlandsche Steden, naar de fontein, of liever bron; want wij verstaan gewoonlijk door het woord fontein een’ watersprong, en hier te land bedoelt men daarmede eene eenvoudige bron. Deze bron is aan het eind van een’ netten tuin, met regte laanen, bloemperken en hagen: men gaat daar door fraai gewerkte ijzeren hekken in, zoo dat zij veel gelijkt op eene ouderwetsche Hollandsche buitenplaats. Deze tuin dient ook voor eene gemeene wandeling. Bij die bron, die aan den voet van eene rots opwelt, hadden de ouden hunne baden, als mede een’ tempel, welken naar de overblijfsels die men ’er nog van ziet, te oordeelen, een fraai en aanzienlijk gebouw moet geweest zijn. Men heeft het gedeelte, dat nog staande is gebleven, om het verder te bewaren, door een muur afgesloten; doch de opzigter van den tuin laat het vreemdelingen zien, en men geeft hem dan doorgaans een fooitje. Men noemt dezen tempel in ’t gemeen, Temple de Diane2; dan of hij inderdaad aan den dienst van deze, dan wel aan die van anderen Goden of Godinnen is gewijd geweest, hierover zijn het de oudheidkundigen nog niet eens. De overblijfsels der baden, sedert eeuwen onder de puinhoopen bedolven zijnde, heeft men hieromstreeks gravende, weder gevonden, en omtrent het midden van de laatst afgeloopen eeuw ontbloot, zoo veel mogelijk hersteld, en ’er veele fraaije versierselen bij gebouwd. De kamertjes van de oude baden zijn voor een gedeelte nog zigtbaar; ook zijn ’er aan de bron nog overblijfsels van de oude trappen. Onder de puinhoopen van deze baden, werd in 1739 de romp en het hoofd van een fraai marmerbeeld, het welke men voor dat van Apollo erkende, gevonden. Dit beeld, benevens meêr andere oudheden, ziet men thans in den zoogenaamden tempel van Diana. Eenige overblijfsels van steenen buizen, die inwendig met lood bekleed waren, en tot waterleidingen voor de baden dienden, kan men daar ook vinden. Aan het eind van dezen tuin, ziet men boven op de rots, aan wier voet de bron is, de overblijfsels van den ouden toren, die men la tour Magne noemt, en die waarschijnlijk de grootste zijnde, van al de torens, die langs de muren van deze stad stonden, ten tijde van de Romeinen voor een vuurbaak (Pharus) diende. Het brok, dat men ’er nog van ziet, is omtrent 80 voeten hoog, doch zeer beschadigd. Bij dezen toren ziet men ook nog de overblijfsels van de oude muren van Nismes, die 4640 toises omtrek hebbende, 6 toises hoog en 1 dik waren; op andere plaatsen ziet men ook nog overblijfsels van deze muren; men berekent, dat Nismes toen elf maal zoo groot moet geweest zijn, als tegenwoordig. Op deze hoogte heeft men een schoon en uitgestrekt gezigt. In het terug komen van dezen tuin, zag ik, op twee bijzondere plaatsen, vloeren, die met kleine steentjes (en Mosaïque) waren ingelegd; de eerste in een fabriek van gedrukte katoenen neusdoeken, voorheen de tuin van den Gouverneur, waar hij in 1785 ontdekt werd, is nog zeer wel bewaard, en door steentjes van onderscheidene kleuren, waarop een aardige teekening, gemaakt; de gedaante is vierkant; aan een’ van de hoeken ziet men eene Romeinsche galei, aan een’ anderen twee visschen, aan een derden twee watervogels, en aan een vierden wederom twee visschen van een ander soort. Den anderen ingelegden vloer zag ik in een slechts weinige trappen diepen kelder in een burgerhuis, rue de la calandre Anglaise, aan het eind van 1766 ontdekt; deze bestaat minder in zijn geheel, is ook minder gekleurd en eenvoudiger van teekening, zijnde in het midden met vierkante ruitjes, zoo als men bij ons wel op het tafelgoed ziet. Het water in de gracht, langs welke men naar de bron enz. gaat, komt alleen uit de bron op, en kan somtijds vrij hoog staan. Aan het eind van de gracht is eene fraaije kom gemaakt voor de waschvrouwen, doch zoodanig, dat het zeepwater zich niet met het zuivere vermengt. Over den tempel van Cajus Cæsar heeft men een’ nieuwen Schouwburg gebouwd; de voorgevel (facade) die met een fraaije colonnade moet pronken, is nog niet voltooid; doch in de zaal moet reeds den aanstaanden winter gespeeld worden. Alle deze oudheden van het Amphithéater af tot de Tour magne, liggen in eenen weg, en men kan dezelven genoegzaam in een halven dag zien. Men heeft hier, zoo wel als te Marseille, meestal pannen daken, doch zij hebben eenigzins eene andere gedaante, dan bij ons. Bijna overal ziet men de menschen hier in de zijde bezig, dat het voorname bedrijf is: men heeft ’er ook veel zijden-kousenwevers; doch men acht de kousen zoo goed niet, als die van Gange Lion, enz. Het getal der inwoners wordt op ruim 45,000 begroot, waar van wel een derde Protestanten zijn. Deze stad heeft dan ook veel door de religie-oorlogen geleden, en ..... doch in plaats van deze oude wonden weder te ontblooten, verhaal ik u hier liever een trek van edele grootheid en menschenliefde. Ten tijde van den St. Bartelsmoord, was een Villars te Nismes consul, en ontving van wegen Karel den IX., hoogst afgrijsselijker gedachtenis, bevel, om in zijn stad, het voorbeeld van Parijs te volgen—en Villars durfde (ô zeldzame deugd onder regenten, van een’ machtigen dwingeland afhankelijk!) dit wreede bevel ter zijde leggen, en deed, in plaats van ’er aan te gehoorzamen, de voornaamste van beide de geloofsgenootschappen bijeenkomen, en in zijn bijzijn zweren, dat zij zich onderling zouden beminnen, als broeders leven, elkanderen trachten te verlichten en in vrede hunne onderscheidene Godsdiensten uitoefenen. Zij zwoeren, omhelsden elkanderen, en hielden woord. Het Hof durfde niets zeggen, en de gansche stad werd behouden, door eenen edelen menschenvriend.—En ik vond geen gedenkteeken ter gedachtenis van dien goeden Villars in deze stad.—Nu ... is hij bij vele menschen vergeten, hij is het voorzeker niet bij de regtvaardige Almagt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings