← Table of contents
Reize door Frankrijk

Note 1 — Dertiende Brief.

Reading edition

Den 21 dezer, na mij van eene korte geschiedkundige beschrijving van de zoo merkwaardige oudheden, die men hier bij de Boekverkoopers vindt, voorzien te hebben, ging ik dezelve bezigtigen. Sedert de omwenteling heeft men verscheidene huizen, die om en in het Amphithéater stonden, en dat schoone gedenkteeken der oudheid ontluisterden, doen wegbreken; zoodat men het nu van rondom vrij goed zien kan; eenige woningen, die ’er nog binnen in staan, moeten, naar men mij verzekerde, binnen een’ zekeren tijd weggebroken worden. Het is wel jammer, dat de regering dezer stad voorheen heeft toegelaten, dat men in en tegen dit Romeinsche worstelperk bouwde, en hetzelve daar door beschadigde; wegnemende, dat in den weg stond, of het geen men voor bouwstof kon gebruiken, ondertusschen heeft dit verbazend stuk werks, niettegenstaande deze verwaarlozing en de onderscheidene oorlogen en verwoestingen, die hier in vroegere eeuwen al hadden plaats gehad, nog niet zeer veel geleden, en is ten minste uitwendig genoegzaam in zijn geheel gebleven. Men meent als zeker te mogen veronderstellen, dat het door Keizer Antoninus Pius, die van het jaar 138 tot 161, der Christelijke jaartelling regeerde, en te Nismes geboren zou zijn, gebouwd is. Het is eirond, en heeft een omtrek van 190 toises, of 1140 geometrische voeten buitenwerks, en is omtrent 11 toises of 66 voeten hoog; rondom is het met boogsgewijze poorten op denzelfden afstand van elkanderen regelmatig gebouwd. Zestig zijn ’er beneden, die voor ingangen dienden, en even zoo veel boven dezelve, doch deze zijn niet zoo hoog. Ik zal u hier van zoo wel als van de overige voorname oudheden, die men hier vindt, de platen toezenden, die ik hier gekocht en ’er mede vergeleken heb, en die ’er u een duidelijk denkbeeld van zullen geven. De opziender, die in een der poorten woont, laat het voor een fooitje van binnen en boven op zien; ik klom ’er dan in, en doorliep een gedeelte van de binnenste galerij; want een groot deel daar van is nog bewoond. De wijze, waarop het gebouwd is, is zeer merkwaardig; het zijn ontzaggelijk groote stukken steen, zonder eenige kalk of çement op en in elkanderen gevoegd, en door ijzeren krammen in lood, bevestigd; doch de meeste dier krammen zijn ’er al uit. Het blijkt dat zij van buiten eerst werden gefatsoeneerd, en met kolommen enz. versierd, na dat zij geplaatst waren; want aan den eenen kant is dat werk nog maar ruw gehouwen, en de fijne bijtel ontbreekt ’er aan. ’t Is verwonderlijk, hoe men zulke groote brokken steen, niet alleen uit de steengroeven heeft kunnen krijgen, maar hoe men ze op elkanderen tot zulk eene aanmerkelijke hoogte heeft kunnen stapelen. Boven op, dat de Atticus genoemd wordt, heeft men een zeer schoon gezigt op de stad, en de landstreek rondom, en hier ziet men de steenen zitbanken, waarop de aanschouwers plegen te zitten, en van waar men in het middelperk (Arena) alwaar de worstelaars tegen elkanderen, of tegen wilde dieren vochten, kan zien. Oorspronkelijk waren ’er 32 zulke zitbanken, trapsgewijze van boven tot beneden afloopende, rondom in dit gebouw. Men ziet ’er aan eenen kant nog 17 van, op sommige plaatsen ziet men ’er maar twaalf, en op anderen niet meêr dan zes, de overige zijn verwoest. Deze overblijfsels zijn echter meêr dan genoegzaam om een volkomen denkbeeld van de zaak te geven, en die het origineel van den stervende Gladiator, uit het Museum van Parijs, in zijn gedachten hier verplaatst, en rondom op de banken een menigte Romeinsche burgers en burgeressen, kan zich verbeelden van bij die woeste en wreede spelen tegenwoordig te zijn, en wordt daar bij een gevoel van afgrijzen en medelijden gewaar. Men berekent naar deze zitplaatsen, dat ’er omtrent 17,000 aanschouwers konden zitten. Rondom het gebouw ziet men uitstekende stukken steen, waarin ronde gaten; hier stak men palen in, on daar aan tenten (Velaria) vast te maken, ten einde de aanschouwers tegen den regen of zonneschijn te beschutten; doch deze tenten kwamen niet verder dan de zitplaatsen, en het midden bleef open. Misschien diende het ook somtijds voor een renperk te voet of op paarden, of ’er werden allerlei sprongen en diergelijke kunsten vertoond. En hoewel het eigenlijk voor een worstelperk was ingerigt, is het niet onwaarschijnelijk, dat ’er ook bijwijlen een Tooneel in opgerigt is geworden, waarop de Treurspelen van Seneca, of de Blijspelen van Plautus of Terentius en anderen, werden gespeeld. Diergelijke vertoonplaatsen, die ’er voor worstelaars en voor Tooneelspelen dienden, waren onder de Romeinen niet onbekend, en dat van Curio, waarvan Plinius, als van een wonder van pracht en kunst, melding maakt, bestond uit twee deelen van hout gemaakt, die op duimen of spillen draaijende zig van elkanderen afscheiden, om voor twee onderscheiden vertooningen te dienen, of zich vereenigden om één Amphithéater, in wiens midden het worstelperk was, uittemaken. Althans het is niet denkelijk, dat ’er in eene zoo aanmerkelijke Romeinsche volksplanting als Nismes1, geen Toneelspelen in het openbaar zijn vertoond, en waar kon zulks beter geschieden dan in het Amphithéater, dewijl men geen blijken vindt, dat ’er hier nog een ander gebouw bestond, het welk daar voor bijzonder geschikt was.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings