Note 5 — Derde Brief.
Reading edition
Het was omtrent elf uren, toen wij te Beaune kwamen; hier gingen wij onzen Wijnkooper, met wien wij op den Postwagen van Parijs naar Dyon kennis gemaakt hadden, opzoeken; doch hij was uit de stad. Daar onze voerlieden verzocht hadden, om hier hunne paarden een paar uren te laten rusten, hadden wij den tijd, om het stadje te bezigtigen: het ziet ’er nog al levendig en welvarende uit, doch wij vonden ’er niets bijzonders. De inwoners worden voor zeer dom en onverstandig gehouden, waarom men hun den naam gegeven heeft van les anes de Beaune5. Zoo het waar is dat zij dezen naam verdienen, is het niet te verwonderen; want ’er waren voor de omwenteling in deze, stad, die men op omtrent zes duizend inwoners begrootte, agt à negen zoo Mans- als Vrouwen-Kloosters, waar onder een Abdij van Bernardiner Nonnen, en een half uurtje van de stad lag nog een Carthuizer Klooster. Bourgondiën, en vooral dit gedeelte, was voorheen een regt Monnikenland; geen wonder, ’er groeit goede wijn, en die snaken zijn doorgaans liefhebbers van een druifje te pikken. Ook is ’er in Beaune een Gasthuis voor zieke en oude lieden, door Nicolas Rollin, Kanselier van onzen Graaf Philippus van Bourgondiën gesticht. Het wordt ook door Nonnen bediend; doch deze doen slechts geloften voor één jaar, en dat kan ’er immers nog al door. Men heeft die goede zusters, na de omwenteling in Frankrijk, ook bijna overal in wezen gelaten. Koning Lodewijk de XI, aan wien men dit Gasthuis liet zien, zeide, van den stichter sprekende: “Het is zeer billijk, daar hij zoo veel armen gedurende zijn leven gemaakt heeft, dat hij voor zijn dood een huis heeft doen bouwen, om ze te herbergen.”